Maagdarmwormen

Bestrijding van maagdarmwormen moet duurzaam zijn. Bij duurzame wormbestrijding is het doel niet om dieren wormvrij te maken, maar om een evenwicht te bereiken tussen wormen, de omgeving en de dieren. Lammeren worden wormvrij geboren en zijn nog niet in staat om weerstand te bieden tegen worminfecties. De aanpak moet er daarom op gericht zijn jonge dieren in hun eerste levensjaar te helpen bij het opbouwen van een natuurlijke weerstand. Een te hoge wormdruk moet worden vermeden. Aan de andere kant, al te rigoureus ontwormen van de lammeren kan de weerstandsopbouw verstoren, waardoor de dieren op latere leeftijd extra vatbaar blijven voor wormbesmettingen. Een duurzame bestrijding van wormen heeft de volgende pijlers.

Preventie Reductie van wormdruk door:

- goed weidemanagement (omweiden)
- fokkerij (genetische selectie tegen wormen)

Monitoring - waarnemingen aan de dieren

- mestonderzoek

Ontwormen Er moet alleen ontwormd worden

- als dat nodig is
- op de juiste momenten
- met de juiste wormmiddelen
- en de juiste dieren

 

Maagdarmwormbestrijding wordt vooral bepaald door Haemonchus contortus. Daarnaast zijn er specifieke aspecten gerelateerd aan de bestrijding van Nematodirus battus. In het hiernavolgende zullen vooral aspecten van weidebeheer en strategisch en selectief ontwormen worden besproken.

Weidebeheer

Het doel van het weidebeheer is grasland aan te bieden met een geringe (soms geen) wormbesmetting. Dit kan op verschillende manieren, die er allemaal op gericht zijn om de wormcyclus zo te beinvloeden, dat vooral lammeren alleen in aanraking komen met geringe weidebesmettingen.

Veedichtheid

Bij toenemende veedichtheid wordt de wormdruk groter. Uit ervaring blijkt dat intensieve bedrijven, met een (veel) grotere bezetting dan 10-15 volwassen schapen per hectare vaak tegen wormproblemen aanlopen. Aan de andere kant is bij zeer extensief gehouden dieren de wormdruk in het algemeen laag, waardoor ontwormen minder of soms helemaal niet nodig is. Let op dat in begrazingsgebieden dieren een sterke voorkeur kunnen hebben voor bepaalde vegetatie soorten. Op die plekken kan dan toch een hoge infectiedruk ontstaan.

Maaien

Bij maaien en hooien worden veel infectieuze larven afgevoerd, waardoor de wormdruk flink kan verminderen. Pas gemaaid land kan echter niet meteen beschouwd worden als 'schoon'. Larven sterven af in droge omstandigheden. Zij kunnen ook slecht tegen direct zonlicht. Bij droog en zonnig weer zullen de larven onderin het gras gaan zitten. Na maaien blijven er dus larven over. Wel kan bij pas gehooid land door de open structuur veel zon en droogte doordringen in de grasmat waardoor veel larven afsterven.

Lengte van het gras

De meeste wormlarven kruipen niet meer dan ongeveer 3 cm in het gras omhoog. Door het gras niet te kort te laten afgrazen wordt besmetting deels voorkomen.

Andere grazers

Schapen en geiten zijn gevoelig voor dezelfde wormen. Andere grazers zoals runderen en paarden zijn gevoelig voor andere soorten wormen. Opgenomen larven van 'schapen- en geitenwormen' kunnen zich vaak niet verder ontwikkelen en sterven af. Wisselbeweiding met andere grazers verlaagt dus de wormdruk. Dit geldt over en weer.

Er zijn overigens verschillende wormsoorten die bij zowel schapen, geiten, runderen en ook verschillende soorten hertachtigen voorkomen. Daaronder is ook Haemonchus contortus die vooral bij runderen voorkomt op bedrijven waar ook schapen worden gehouden. Deze wormsoort wordt ook bij reeën aangetroffen. Daarnaast kan Nematodirus battus incidenteel bij kalveren voor problemen zorgen. Andere wormsoorten worden ook wel aangetroffen bij zowel rund als schaap, maar zorgen niet voor al te grote problemen bij wisselbeweiding. De veiligste wisselbeweiding is die tussen kleine herkauwers en paarden.

Braak liggen

Een perceel waarop minimaal 12 maanden geen schapen of geiten hebben gelopen kan worden beschouwd als 'schoon'. Na een periode van 2-3 jaar zonder beweiding is een perceel geheel vrij van parasieten. Hiervoor geldt wel dat er ook geen reeën mogen hebben gelopen, want deze dieren herbergen voor een groot deel dezelfde wormen als die voorkomen bij schapen en geiten. Ook omgeploegd en opnieuw ingezaaid grasland is vrij van wormbesmetting.

Omweiden

Door middel van omweiden zorgt men ervoor dat op het moment dat de wormeieren in de mest zich hebben ontwikkeld tot infectieuze larven op het gras, de dieren niet meer op het perceel aanwezig zijn. Dit wordt evasieve (ontwijkende) beweiding genoemd. De tijd tussen de uitscheiding van de eieren en moment dat de infectieuze larven zich hebben ontwikkeld hangt af van het soort worm en de weersomstandigheden. Voor Haemonchus contortus is dit 3 weken in voor- en najaar en 2 weken in de zomer. Deze intervallen zijn bij koude en droogte langer. Voor de andere maagdarmwormsoorten, behalve Nematodirus, duurt de ontwikkeling van ei in de mest tot infectieuze larve op de wei minimaal 4 weken. Daarom wordt een effectief omweidschema bepaald door Haemonchus contortus.

Infectieuze larven blijven tot 3 maanden in leven op de wei gedurende de zomer. Dus na 3 maanden is een wei weer 'vrij' van Haemonchus larven.

Een effectief omweidschema bestaat dus uit telkens om de 3 (voor- en najaar) of 2 weken (zomer) verweiden naar een volgende wei waar tenminste drie maanden geen schapen of geiten hebben gelopen. Op de wei waar de ooien met lammeren worden ingeschaard in het voorjaar mag wat langer worden geweid (1-2 weken). De ooien moeten eerst eieren op het land brengen en opname van Haemonchus larven door de lammeren zal pas na 3 weken kunnen beginnen en dan eerst nog laag zijn, ook omdat de lammeren nog worden gezoogd. Dat geldt zeker wanneer (95 tot 98% van) de ooien behandeld zijn met een werkzaam wormmiddel. Deze eerste lichte infectie zal bijdragen aan de ontwikkeling van weerstand in de lammeren. Een jarenlang al te effectief omweidschema herbergt ook weer het risico in zich dat er geen of nauwelijks infectie kan ontstaan en dus dat er geen weerstand kan worden opgebouwd. Indien bovenstaand weideschema niet kan worden volgehouden, helpt regelmatig mestonderzoek om de infectiedruk te monitoren en op tijd aanvullende maatregelen, door middel van ontwormen, te kunnen nemen.

Veilig weiland waar schapen naartoe kunnen worden verweid, is:

  • Nieuw ingezaaid weiland
  • Weiland waar tenminste 3 maanden geen niet-behandelde schapen of geiten hebben geweid. Als schapen of geiten wel zijn behandeld met een werkzaam wormmiddel, kunnen deze dieren tot 3 weken (of bij schapen wat langer als een moxidectine middel is gebruikt) grazen op een weiland zonder dat dit de weide onveilig maakt. De weide blijft dan veilig.

In de winter sterven Haemonchus larven af. Larven van andere maagdarmwormsoorten leven juist langer naarmate het kouder wordt. Maar dan zijn ze ook niet actief en verblijven dan laag in de graszode of direct op de bodem. Schapen die gedurende de winter buiten blijven, zullen infectieuze larven daarom maar in beperkte mate opnemen. Wormeieren die in de winter worden uitgescheiden ontwikkelen niet tot larven en sterven af.

Voor Nematodirus geldt dat de infectieuze larven ontwikkelen binnen het ei. De larven komen meestal pas uit het ei na een koudeperiode gevolgd door hoger wordende temperaturen. Nematodirose zien we dan ook meestal in het voorjaar. Voorkomen van nematodirose kan door de lammeren in het voorjaar niet te weiden op land waarop vorig jaar lammeren eieren van Nematodirus hebben uitgescheiden.

Ontwormen

Als omweiden en de andere bovenstaande maatregelen onvoldoende zijn, kunnen schapen worden ontwormd. Er zijn verschillende wormmiddelen in Nederland geregistreerd. Tegen verschillende wormmiddelen zijn verschillende wormsoorten resistent. Wormmiddelen moeten daarom zo weinig mogelijk worden gebruikt en liefst alleen op geleide van mestonderzoek. Meer hierover is te vinden op de pagina Bewust ontwormen. Ook de website www.wormenwijzer.nl geeft uitgebreide informatie over de wormbestrijding bij schapen, inclusief een beslisboom. De Wormenwijzer is ontwikkeld door de Wageningen Animal Sciences Group, de Faculteit voor Diergeneeskunde en Gezonde Dieren in opdracht van het Productschap voor Vee, Vlees en Eieren.

Leverbot

De bestrijding van leverbot wordt steeds moeilijker. Tegen het enige wormmiddel wat werkt tegen alle stadia van de leverbot (zie wormmiddelen) komt steeds vaker resistentie voor. Blijven over middelen die alleen werken tegen de (jong) volwassen stadia. Behalve ontwormen kan men in de bestrijding denken aan drainage van land, omheinen van poeltjes en natte plekken op het land, en het in het najaar niet weiden op percelen waar de tussengastheer (poelslakjes) van leverbot voorkomt. Voor dat laatste kunnen de percelen op een bedrijf in kaart worden gebracht voor het risico op leverbotinfecties per perceel. Dit karteren gebeurt door de Gezondheidsdienst voor Dieren.

Lintwormen

Bestrijding van lintwormen is niet nodig. Als er een lintworminfectie is, bestaat die meestal uit slechts een enkele lintworm. Verstopping van de darm wordt vrijwel nooit gezien. Ook groeivertraging is nooit aangetoond. Zo lang de schapen het dus goed blijven doen, is een behandeling onnodig.

Bronnen

  • Eysker M., Borgsteede F.H.M., Ploeger H.W., Vellema P., 2005. Resistentie maakt nieuwe aanpak van de bestrijding van maagdarmwormen bij kleine herkauwers noodzakelijk. Tijdschrift voor Diergeneeskunde 130, 205-209.
  • Eysker M., Bakker N., Kooyman F.N.J., Ploeger H.W., 2005. The possibilities and limitations of evasive grazing as a control measure for parasitic gastroenteritis in small ruminants in temperate climates. Veterinary Parasitology 129, 95-104.
  • Vellema P., 2008. Gezonde schapen. Reed Business/Het Schaap, Doetinchem.