Er zijn meerdere soorten, waarvan in Nederland met name de volgende voorkomen: Trichostrongylus axei in de lebmaag, Trichostrongylus vitrinus en Trichostrongylus colubriformis in de dunne darm. Ze veroorzaken trichostrongylose (zie ook Teladorsagia circumcincta). De ziekte is zeer vergelijkbaar met maagdarmwormziekte bij het rund. Het zijn kleine wormen, ongeveer 0,4-0,8 cm lang.

Vooral Trichostrongylus axei komt bij meerdere diersoorten voor waaronder natuurlijk geiten, maar ook rund, paard, varken en herten. Ook de andere Trichostrongylus soorten kunnen soms worden gevonden in andere diersoorten dan schaap en geit.

Na opname met het grazen doen larven van Trichostrongylus axei precies hetzelfde als larven van Teladorsagia. Larven van de andere soorten ontwikkelen in de slijmvliezen van de dunne darm.

Symptomen

Opbouw van weidebesmetting verloopt min of meer hetzelfde als bij Teladorsagia en langzamer dan bij Haemonchus contortus. Verschijnselen worden meestal pas waargenomen in de herfst en winter, en zijn vooral verminderde eetlust en het achterblijven in groei en dunne mest. We zien vaker diarree omdat ook de dunne darm aangetast kan zijn. Dieren lopen dan rond met een bevuilde achterhand.

Diagnose

De diagnose wordt gesteld aan de hand van de klinische verschijnselen en tijdstip in het jaar. De diagnose is meestal niet specifiek gericht op trichostrongylose, maar meer op ziekte veroorzaakt door‘maagdarmwormen’. Ook Trichostrongylus soorten produceren strongylus-type eieren, net als Haemonchus, Teladorsagia en verschillende andere minder belangrijke soorten maagdarmwormen (zie voor een foto Haemonchus). Ze produceren wel veel minder eieren dan Haemonchus.

Behandeling

Alle geregistreerde wormmiddelen waren of zijn werkzaam tegen alle stadia (larven en volwassen wormen) van de Trichostrongylus soorten. Alleen levamisol is minder goed werkzaam tegen geïnhibeerde larven, dat wil zeggen de larven die gedurende de winter in ruste gegaan zijn als larfje in de wand van de lebmaag. Voor Trichostrongylus is dat minder belangrijk, omdat deze soorten minder geneigd zijn om als larve in ruste te gaan in het schaap.

Resistentie tegen wormmiddelen zal voorkomen bij de Trichostrongylus soorten, maar is veel minder wijd verbreid en belangrijk dan bij Haemonchus. Zie verder wormmiddelen.

Preventie

Zie de preventie van Teladorsagia circumcincta. Larven overleven zeer goed op de weide in de winter. Dat is voor Trichostrongylus de voornaamste wijze van overleven van het ene naar het volgende jaar. Schapen die in de winter grazen, kunnen dus wel infectieuze Trichostrongylus larven opeten, maar geen Haemonchus larven. Door schapen in de winter uitgescheiden eieren van Trichostrongylus soorten kunnen echter niet op het land ontwikkelen tot infectieuze larven. Daarvoor is het te koud. In het voorjaar geboren lammeren worden na inscharen onmiddellijk besmet met Trichostrongylus soorten, maar dat is altijd in lage aantallen en leidt niet snel tot ziekte. Net als bij Teladorsagia gaat de ontwikkeling van ei tot larve op het gras veel langzamer dan bij Haemonchus.

Bronnen

  • Eysker M., 1987. Regulation of Trichostrongylus vitrinus and T. colubriformis populations in naturally infected sheep in The Netherlands. Research in Veterinary Science 42, 267-271.
  • Janssens P.G., Vercruysse J., Jansen J. (redactie), 1989. Wormen en wormziekten bij mens en huisdier. Samsom Stafleu, Alphen aan den Rijn/Brussel.
  • Vellema P., 2008. Gezonde schapen. Reed Business/Het Schaap, Doetinchem.