Mestonderzoek op wormeieren of Eimeria oöcysten wordt gebruikt in de diagnostiek als er dieren ziek zijn. Maar mestonderzoek kan ook gebruikt worden om een wormbesmetting in de tijd te volgen. Daarmee kan vroegtijdig worden opgemerkt dat een wormbesmetting te hoog gaat worden en is ingrijpen mogelijk voordat er ziekte of schade is. Bovendien kan zo het effect van beweidingsplannen worden gecontroleerd. Omgekeerd kan het ook leren dat een wormbesmetting laag blijft en er dus niet hoeft te worden ontwormd. Een derde mogelijkheid is mestonderzoek ter controle op de werking van een wormmiddel.

Mestmonsters verzamelen en bewaren

Voor diagnostiek bij individuele dieren is het voldoende om van enkele zieke dieren apart een mestmonster te nemen en te (laten) onderzoeken. Omdat worminfecties vaak de hele koppel betreffen, kan ook één mengmonster worden gemaakt.

Voor monitoring (volgen) van wormbesmetting door het jaar heen is het voldoende om een mengmonster te verzamelen per samen weidende groep lammeren of ooien. Het heeft geen zin om een mengmonster te maken van ooien en lammeren samen. Ooien scheiden andere aantallen eieren uit dan hun lammeren. In een koppel ooien met hun lammeren moet een mengmonster of bestaan uit mest van alleen lammeren of alleen ooien. Om een mengmonster te krijgen kan van 10-15 dieren evenveel mest (2-3 keutels) worden verzameld. Dit wordt goed gemengd in een stevig plastic zakje. De mest kan rectaal worden bemonsterd, maar het is ook mogelijk om van 10-15 op het land liggende verse, liefst nog warme, keutels een beetje van de top te verzamelen en dat met elkaar te mengen. Hiertoe kunnen de dieren bij elkaar worden gedreven voor circa 10 minuten, bijvoorbeeld in een schoon vanghok. Na de dieren weer rustig vrij te laten, kunnen de achtergebleven verse keutels worden verzameld.

Mestmonsters in een plastic zakje kunnen enige tijd worden bewaard. De belangrijkste voorwaarde is dat de lucht zoveel mogelijk uit het zakje is geknepen. Als er namelijk nog lucht (zuurstof) aanwezig is, ontwikkelen eieren van de meeste wormsoorten binnen enkele dagen en uit de meesten daarvan komt dan een larfje tevoorschijn en zijn de eieren weg. Daarnaast kan het mestmonster koel (4-7°C) worden bewaard. Bij lage temperaturen gaat de ontwikkeling van de eieren veel langzamer of valt zelfs helemaal stil.

Het algemene principe van mestonderzoek

Om wormeieren en oöcysten te kunnen waarnemen, moet er een preparaat worden gemaakt voor onderzoek onder de microscoop. Het preparaat kan worden bekeken bij een vergroting van minimaal 40x. Meestal wordt gezocht naar eieren bij een vergroting van 100x.

Wormeieren of oöcysten zijn zwaarder dan water. Een beetje mest wordt goed gemengd in water, zodat de wormeieren en oöcysten los komen van mestdeeltjes. De suspensie blijft dan enige tijd staan, meestal minimaal 10 minuten. In die tijd zinken wormeieren en Eimeria oöcysten naar de bodem. Vervolgens kunnen enkele druppels worden verzameld van de bodem en worden onderzocht op wormeieren en oöcysten. Nadeel is dat ook allerlei mestdeeltjes bezinken. Dat bemoeilijkt het vinden van eitjes.

Flotatie en sedimentatie Judith van Andel web

Principe van flotatie en bezinken (sedimentatie). sg= soortelijk gewicht. (tekening: Judith van Andel)

Het is ook mogelijk om wormeieren en oöcysten te laten stijgen (floteren) in een vloeistof (flotatievloeistof) die zwaarder is dan wormeieren en oöcysten. De methode is iets meer bewerkelijk, maar het voordeel is dat een preparaat veel makkelijker is te doorzoeken. Veel mestdeeltjes zinken ook nog in die zwaardere vloeistof zodat deze deeltjes worden gescheiden van de wormeieren en oöcysten.

Methoden van mestonderzoek

Er bestaan verschillende methoden voor mestonderzoek, die gebruikmaken van of het laten zinken of het laten floteren van wormeieren en oöcysten. De te gebruiken methode is afhankelijk van doel en soort wormeieren waarnaar gezocht wordt. Niet alle methoden zijn toepasbaar buiten professionele laboratoria. De methoden die wel goed kunnen worden uitgevoerd door schapenhouders zelf, zijn:

  • Directe flotatie methode
  • Bezinkingsmethode
  • McMaster methode

Directe flotatie methode

In deze methode wordt een beetje mest gemengd met een flotatievloeistof in een smal buisje (reageerbuisje of een buisje zoals gebruikt voor het nemen van bloedmonsters). Nadat het buisje helemaal gevuld is met flotatievloeistof totdat er een lichte bolle meniscus is gevormd (vloeistof iets uitbollend boven de rand)), wordt op het buisje een dekglaasje (circa 18x18mm) gelegd. Buisje met dekglaasje wordt 10-15 minuten met rust gelaten, zodat aanwezige eieren en oöcysten de kans krijgen te stijgen en te blijven plakken aan het dekglaasje. Daarna wordt het dekglaasje recht omhoog van het buisje gehaald en geplaatst op een voorwerpglas. Het zo gemaakte preparaat kan dan onder de microscoop worden doorzocht op wormeieren en oöcysten.

Omdat de eieren passief opstijgen tegen het dekglaasje plakken ze niet heel erg goed tegen het dekglaasje. Daardoor raken eieren verloren bij het optillen van het dekglaasje. Desondanks is het een makkelijke en geschikte methode om een indruk te krijgen van de aanwezige wormeieren. Als men de hoeveelheid onderzochte mest vooraf heeft afgewogen en gemengd met een bekende hoeveelheid flotatievloeistof is er zelfs een ruwe schatting te maken van het aantal wormeieren (weinig, enkele of veel).

Ovassay® Plus

In de handel is een testkit, Ovassay® Plus, verkrijgbaar. Deze kit maakt gebruik van de directe flotatie methode. Deze kit heeft het voordeel dat tijdens het stijgen van de wormeieren een grof zeefje wordt gepasseerd. Dit houdt grotere mestdeeltjes die ook stijgen tegen. Het preparaat blijft daardoor schoner en is makkelijker te doorzoeken. Bovendien bevat het een container waarmee de te onderzoeken mest kan worden verzameld. Omdat deze container standaard is, wordt elke keer opnieuw ongeveer evenveel mest onderzocht. Dat is makkelijk voor het grof vergelijken tussen uitslagen op verschillende momenten. Bij harde stevige mest (keutels) kan het helpen om eerst op een vlakke ondergrond de mest te kneden/prakken voordat er wat wordt bemonsterd met de container. De bijgeleverde flotatievloeistof is zinksulfaat of natriumnitraat. Voordeel van zinksulfaat is dat alle ei-typen hierin stijgen, dus ook leverbot eieren. Maar zinksulfaat is niet geschikt voor gebruik buiten professionele laboratoria, want afvoeren van zinksulfaat vereist speciale voorzorgsmaatregelen. Natriumnitraat is vergelijkbaar met een verzadigde zoutoplossing (zie verderop).

Bezinkingsmethode

In deze methode worden enkele grammen mest gemengd in water. Dit gebeurt in een bekertje met platte bodem. Vervolgens wordt het bekertje 20-30 minuten met rust gelaten zodat wormeieren kunnen bezinken. Daarna wordt een druppeltje van de bodem opgezogen en op een voorwerpglas gebracht. De druppel wordt afgedekt met een dekglaasje, en vervolgens bekeken onder de microscoop. Dit kan enkele malen herhaald worden. Deze methode is zeer ongevoelig, dat wil zeggen alleen geschikt als er veel wormeieren aanwezig zijn. De bezinkingsmethode is vooral bedoeld om de zware eieren van leverbot te vinden. Niet vinden van leverbot eieren betekent niet dat er geen leverbot besmetting is. De aantallen eieren per gram mest zijn vaak zo laag, dat met deze methode niet altijd leverbot eieren kunnen worden gevonden. Voor een gedetailleerde beschrijving van deze methode zie protocol bezinkingsmethode.

McMaster methode

De wereldwijd meest gebruikte methode om kwantitatief wormeieren te tellen is de McMaster methode. Standaard wordt 3 (of 4) gram mest afgewogen en gemengd met 42 (of 56) ml flotatievloeistof. In de McMaster methode wordt vrijwel altijd een verzadigde zoutoplossing (zie verderop) gebruikt als flotatievloeistof. Hiermee kunnen verschillende wormei-typen worden geteld, maar vooral de strongylus-type eieren. Dit zijn de eieren van maagdarmwormen zoals Haemonchus, Teladorsagia, Nematodirus eieren stijgen in deze vloeistof en kunnen zo makkelijk worden geteld. Hetzelfde geldt voor Eimeria oöcysten. De methode is niet geschikt voor eieren van leverbot, want die zijn te zwaar voor de verzadigde zoutoplossing.

McMaster telkamer web

McMaster slide met 1 gevulde telkamer

De gemaakte mestsuspensie wordt gezeefd (over een theezeef) zodat grove mestdeeltjes worden verwijderd. De suspensie wordt vervolgens goed gemengd en een beetje suspensie wordt overgebracht in één van de telkamers van de McMaster slide (zie foto). Dit wordt herhaald voor de andere telkamer. Na 2 minuten zijn de eieren tegen de onderkant van het telraam gestegen en kunnen ze met hulp van het aanwezige raster worden geteld onder de microscoop. Onder elk raster worden zo de eieren in 0,15 ml mestsuspensie geteld. Voor één raster of telkamer betekent dat elk geteld ei gelijk staat aan 100 eieren per gram mest (EPG). Bij onderzoek van twee rasters of telkamers moet het totaal aantal getelde eieren worden vermenigvuldig met 50 om het juiste EPG te krijgen. Voor regelmatige monitoring in de tijd is de McMaster methode verreweg de meest geschikte methode van mestonderzoek. Voor een gedetailleerde beschrijving van deze methode zie protocol McMaster methode.

Flotatievloeistoffen

OplossingReceptDichtheidVoor welke wormeieren
Verzadigd zout 340-400 gram keukenzout in 1 liter water 1,18-1,20 g/ml Alle soorten behalve leverbot, Trichuris en Capillaria
Suiker 1280 gram kristalsuiker in 1 liter water 1,3 g/ml Alle soorten, maar sommige ei-typen klappen snel in zoals leverbot eieren

 

De bovengenoemde vloeistoffen zijn goedkoop en makkelijk zelf te maken. Er zijn ook kant-en-klare flotatievloeistoffen te krijgen, bijvoorbeeld een zinksulfaat oplossing bij de Ovassay®Plus. Als een kant-en-klare vloeistof wordt gekocht, is het belangrijk te controleren wat de dichtheid van die vloeistof is. Die moet ongeveer 1,18 g/ml of 1,3 g/ml zijn. Als dat niet op de verpakking staat, is het makkelijk te controleren door 100 ml te wegen. Het gewicht moet dan 118 of 130 gram zijn. Deze controle kan ook worden uitgevoerd op zelf gemaakte flotatievloeistof. Een dichtheid van 1,18 g/ml is voldoende voor het vinden van strongylus-type (o.a. Haemonchus) en Nematodirus eieren.

Uitslag en interpretatie

Voor kwalitatieve methoden (directe flotatie methode en bezinkingsmethode) geldt dat wormeieren wel of niet worden gezien. In geval van schapen is dit alleen voldoende voor leverbot of lintworm. Indien men altijd eenzelfde hoeveelheid mest mengt met eenzelfde hoeveelheid water of flotatievloeistof, kan men wel een grove indruk krijgen of er weinig of veel eieren worden gezien.

Om een kwantitatieve uitslag te krijgen, is de McMaster methode het meest geschikt. Voor de meeste wormsoorten bij het schaap is het noodzakelijk om de wormeieren echt te tellen. Weinig eieren betekent dat er geen probleem is en dat er niet hoeft te worden ontwormd. Pas wanneer het aantal eieren per gram mest (EPG) boven een grenswaarde komt, is een ontworming gewenst of zelfs vereist.

EPG en ziekte

In Australia worden de volgende EPGs per wormsoort als grenswaarde genoemd. Daarboven kan die wormsoort ziekte veroorzaken. Grenswaarden gelden voor de lammeren. Voor ooien gelden in het algemeen hogere grenswaarden. De waarden zijn ook afhankelijk van het schapenras.

WormsoortEPG grenswaardeOpmerking
Haemonchus contortus 2000 produceert een strongylus-type ei
Teladorsagia circumcincta 500 produceert een strongylus-type ei
Trichostrongylus soorten 500 produceert een strongylus-type ei
Nematodirus battus 500  
Oesophagostomum soorten 300 produceert een strongylus-type ei
Chabertia ovina 500 produceert een groot strongylus-type ei
Fasciola hepatica (leverbot) 100 aanwezigheid van 1 ei is al significant

 

Bovenstaande EPGs (ook algemeen geldig voor Nederland) zijn grenswaarden waarboven de lammeren ziek (kunnen) worden. Het zijn bovendien waarden per wormsoort. Zoals aangegeven, meerdere soorten produceren een zeer op elkaar lijkend strongylus-type ei (zie foto). Bovenstaande waarden zijn daarom in de praktijk lastig aan te houden voor die wormsoorten. Dat kan alleen voor bijvoorbeeld Nematodirus battus omdat die een geheel eigen type ei produceert.

Strongylus type eieren web

Strongylus type eieren (S). Ook te zien is een ei van Strongyloides papillosus (Sp) en van Trichuris ovis (T). (foto: Harm Ploeger)

EPG en ontwormen

Voor monitoring geldt dat er wordt ontwormd om de weidebesmetting voldoende laag te houden zodat bovengenoemde EPG grenswaarden niet worden bereikt. Daartoe moet een beslissing worden genomen op basis van de overall EPG van strongylus-type eieren, dus de som van alle eieren geproduceerd door de mix aan maagdarmwormsoorten die deze eieren maken. We kunnen niet wachten totdat een EPG 2000 wordt voor Haemonchus, omdat dan de EPG voor Teladorsagia al veel te hoog kan zijn. Daarom dat bij monitoring de volgende grenswaarden worden aangehouden, in Nederland en elders in de wereld:

 GrenswaardeAdvies
Strongylus-type eieren <200 EPG Geen ontworming nodig.
Strongylus-type eieren 200-500 EPG Meestal geen ontworming nodig. Later in het jaar moet dit in relatie worden gezien met de laatste ontworming en laatste omweiding en hoe de lammeren ‘het doen’. Een EPG van bijvoorbeeld 300 al op 3 weken na de laatste ontworming, geeft aan dat de lammeren weiden op een (zwaar) besmet weiland. Een paar dagen later kan de EPG dan al boven de 500 uitkomen. In zulke gevallen kan een ontworming toch gewenst zijn.
Strongylus-type eieren >500 EPG Ontwormen is (sterk) aan te raden.
Nematodirus battus >100 EPG Reden om de lammeren in de gaten te houden of direct te ontwormen. In de praktijk worden regelmatig EPGs tot circa 500 gezien in koppels lammeren die ‘het goed doen’ en geen diarree hebben. Maar ook bij EPGs van 100 of lager kan er nematodirose in de koppel zijn. EPG in samenhang met het koppel beoordelen.

 

Voor grenswaarden van andere hier niet genoemde wormsoorten (bijvoorbeeld Trichuris ovis of Strongyloides papillosus) of Eimeria oöcysten wordt verwezen naar de betreffende pagina’s over die wormsoorten.

Voor ooien die met lammeren samen weiden kan de grenswaarde >500 EPG om te ontwormen worden aangehouden. Dit omdat het hier gaat om het laag houden van de weidebesmetting. Na het spenen zullen ooien weinig wormeieren uitscheiden en is monitoring minder van belang dan bij de lammeren.

Resistentie tegen wormmiddelen

De werkzaamheid van een wormmiddel kan worden gecontroleerd met een zogenaamde FECRT (‘Faecal Egg Count Reduction Test’), of in het nederlands WERT (WormEi Reductie Test). Hiertoe dient 10-14 dagen na toediening van een wormmiddel de mest gecontroleerd te worden op wormeieren. Aanwezigheid van wormeieren kan duiden op verminderde werkzaamheid. Maar het kan ook betekenen dat er iets fout gegaan is bij het ontwormen, bijvoorbeeld ondergedoseerd of enkele dieren vergeten mee te nemen. Hoe een formeel bewijs van verminderde werkzaamheid van een wormmiddel wordt verkregen met mestonderzoek wordt uitgelegd bij resistentie tegen wormmiddelen.

Herkennen van wormeieren en oöcysten

Het maken van preparaten voor onderzoek onder de microscoop is niet lastig. Maar daarna moeten aanwezige wormeieren en oöcysten worden geidentificeerd. Beschikbaarheid van goede foto's van de verschillende eieren (liefst samen op de foto om de verschillen goed te kunnen zien) is daarvoor belangrijk. Maar ook met goede foto's is het in de praktijk soms lastig om eieren juist te benoemen. Dat komt omdat er weinig eieren aanwezig kunnen zijn en omdat er in het gezichtsveld onder de microscoop maar 1 type wormei aanwezig kan zijn. Bij weinig ervaring kan er twijfel ontstaan of het de ene soort is of een andere. Mestonderzoek heeft dus alleen zin als wormeieren en oocysten goed kunnen worden herkend en dat vergt oefening en regelmatig mestonderzoek blijven doen.

Bronnen