De rode lebmaagworm (Haemonchus contortus) is de veroorzaker van haemonchose en is in ons land één van de belangrijkste wormsoorten die problemen veroorzaken. Volwassen wormen kunnen ongeveer 1,5-2,5 cm lang worden. Na opname van larven met het gras kruipen die larven eerst in klierbuizen in het slijmvlies van de lebmaag. Na ongeveer 4 dagen komen ze daar alweer uit en worden vervolgens volwassen in de lebmaag zelf. Het zijn vooral de volwassen bloedzuigende wormen die voor de problemen zorgen.

Haemonchus in lebmaag
Haemonchus contortus in de lebmaag van een lam

Symptomen

Eén Haemonchus worm onttrekt per dag 0,05 ml bloed. Bij zware infecties kunnen duizenden wormen aanwezig zijn, die dan gezamenlijk tot honderden ml bloed per dag zuigen. Hierdoor ontstaat er ernstige bloedarmoede, groeivertraging en sterfte. Haemonchus contortus veroorzaakt op zichzelf geen diarree. In de praktijk kan er wel diarree gezien worden, maar dat wordt dan veroorzaakt door andere wormsoorten die gelijkertijd aanwezig zijn. Samen met de bloedarmoede ontstaat er een tekort aan bloedeiwit (albumine). Daardoor ontwikkelen er ook oedemen, vooral goed te zien aan de onderkaak.

Haemonchose bleekwitte slijmvliezen web
Bleekwitte slijmvliezen in het ooglid door een infectie met Haemonchus contortus.

Diagnose

De diagnose wordt gesteld aan de hand van de klinische verschijnselen en tijdstip in het jaar. Vooral de bleekwitte slijmvliezen als gevolg van de bloedarmoede is zeer kenmerkend (zie foto). In Zuid-Afrika is een kleurkaart ontwikkeld met de verschillende stadia van bloedarmoede zoals af te lezen aan de oogslijmvliezen, de FAMACHA kaart.

Haemonchus contortus produceert zogenaamde strongylus-type eieren (zie foto). Zulke eieren worden ook gemaakt door verschillende andere maagdarmwormsoorten, waaronder Teladorsagia circumcincta en de Trichostrongylus soorten Van de maagdarmwormen is Haemonchus wel de verreweg meest reproduktieve wormsoort. Haemonchose is één van de weinige maagdarmwormziekten waarbij er in de praktijk een correlatie bestaat tussen eitelling in de mest en de ernst van de symptomen. Tellingen van 1000 Strongylus-type eieren of meer per gram mest (EPG) worden voor het grootste deel veroorzaakt door Haemonchus contortus en in sommige gevallen zijn tellingen gedaan van meer dan 20.000 EPG.

Rond het aflammeren en tijdens de zoogperiode kunnen ooien vrij grote aantallen strongylus-type eieren met de mest uitscheiden (spring rise). Eitellingen van enkele honderden tot boven de 1000 EPG komen niet zelden voor. Voor de ooien zelf zijn deze eitellingen klinisch meestal van weinig betekenis.

Schaap 5 typen eieren en oocysten web

Strongylus-type eieren (S) bij vergroting 100x. Ter vergelijking eieren van Nematodirus battus (Nb) en de lintworm Moniezia expansa (M). Ook aanwezig Eimeria oocysten (Eo) en een oocyst van Eimeria intricata (Ei). (foto: Harm Ploeger)

Behandeling

Alle geregistreerde wormmiddelen waren of zijn werkzaam tegen alle stadia (larven en volwassen wormen) van Haemonchus contortus. Alleen levamisol is minder goed werkzaam tegen geïnhibeerde larven, dat wil zeggen de larven die gedurende de winter in ruste gegaan zijn als larfje in de wand van de lebmaag (zie verderop).

Tegenwoordig zijn verschillende geregistreerde wormmiddelen verminderd tot helemaal niet meer werkzaam tegen Haemonchus. Dat komt door resistentie die de worm heeft ontwikkeld tegen deze produkten. In Nederland geldt dat vooral voor de groep van de benzimidazolen en sinds ongeveer 2007 ook in toenemende mate voor ivermectine en doramectine (twee middelen uit de groep van de macrocyclische lactonen). In 2012 is voor het eerst resistentie gevonden tegen moxidectine. Zie verder wormmiddelen.

Preventie

Voor het effectief voorkomen van haemonchose is kennis van de levenscyclus en de eigenschappen van de worm belangrijk. Haemonchus is een worm die zich beter thuis voelt in warmere streken. Onze winters zijn te koud om op het grasland te kunnen overleven. De worm overwintert als rustende (geïnhibeerde) larve in het slijmvlies van de lebmaag. De verandering in de hormoonhuishouding en een verminderde afweer rond het aflammeren is een signaal voor de larven om zich verder te ontwikkelen tot het volwassen stadium (spring rise). Rond het aflammeren en gedurende het zogen scheiden de ooien veel Haemonchus eieren uit, meestal zonder dat ze zelf ziek zijn.

Als schapen in het voorjaar op de wei komen en eieren uitscheiden, dan ontwikkelen die eieren zich tot infectieuze larven binnen enkele weken. In het voor- en najaar duurt dat meestal minimaal 3 weken. Hoe kouder het is, des te langzamer gaat deze ontwikkeling. In de zomer duurt de ontwikkeling ongeveer 2 weken. Dat is sneller dan bij de andere maagdarmwormsoorten. De infectieuze larven kunnen tot enkele maanden overleven gedurende de zomer maar sterven af zodra het kouder begint te worden in najaar en winter. Dit is afwijkend van de larven van de meeste andere maagdarmwormsoorten die juist langer overleven naarmate het kouder wordt. De infectieuze larven die in het najaar worden opgenomen met het grazen gaan in de lebmaag in ruste.

Haemonchus seizoenspatroon
Het standaard seizoenspatroon van Haemonchus contortus. Gedurende de winter sterven alle infectieuze larven (L3) op het weiland. De volledige wormpopulatie zit dan in de ooien. Kort voor en rondom het aflammeren worden die wormen volwassen en gaan eieren produceren. Deze eieren vormen vervolgens na inscharen de eerste besmetting op het weiland waarmee de lammeren in aanraking gaan komen. Na verloop van tijd gaan dan ook de lammeren Haemonchus eieren uitscheiden. Gedurende juni tot september kan er dan haemonchose ontstaan in de lammeren.

De belangrijkste pijlers waarop preventie gebaseerd is, zijn monitoring door middel van mestonderzoek, beweiding en ontwormen. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor genetische selectie tegen wormen en gebruik van gewassen met in enige mate een anti-worm effect (alternatieve wormbestrijding). Zie hiervoor de betreffende pagina’s.

Duurzame wormbestrijding begint bij een juiste beweiding en monitoring. Vanwege de ontwikkelingstijden van ei tot infectieuze larve op de weide, is het zeer effectief om in voor- en najaar elke 3 weken en in de zomer elke 2 weken om te weiden naar een volgend perceel waar dat jaar nog niet eerder schapen hebben gelopen. Als dit mogelijk is, kan regelmatig mestonderzoek zelfs achterwege blijven. In de praktijk is dit niet altijd mogelijk en dan helpt regelmatig mestonderzoek bij het in de gaten houden van de besmettingsdruk (zie mestonderzoek). Vervolgens kan behandelen met een wormmiddel bijdragen om de besmettingsdruk te verlagen, indien het beweidingschema onvoldoende effect sorteert. In zulke gevallen kan men er voor kiezen om niet alle lammeren gelijkertijd te behandelen. Indien men de beste lammeren niet ontwormt, dan blijft een deel van de wormpopulatie onaangetast door het wormmiddel, zodat de kans op ontwikkeling van resistentie tegen die middelen vermindert.

Omdat in het voorjaar alle Haemonchus wormen in de ooien zitten, is lang de strategie geweest om alle ooien rond het aflammeren te ontwormen, zodat er heel weinig of zelfs geen Haemonchus wormen zouden overblijven waarmee de lammeren zich konden besmetten. De praktijk heeft geleerd dat zelfs met de meest effectieve wormmiddelen Haemonchus niet is uitgeroeid. Erger, Haemonchus heeft tegen verschillende wormmiddelen resistentie ontwikkeld. Ontwormen van de ooien met een werkzaam middel helpt om de besmettingsdruk op het weiland na aanvang van het weideseizoen een tijdje laag te houden. Maar als er een effectief beweidingschema kan worden toegepast, hoeft ontwormen van de ooien niet per se noodzakelijk te zijn.

Voor een uitgebreidere behandeling van de wormbestrijding wordt verwezen naar de betreffende pagina.

Bronnen

Borgsteede F.H.M., Dercksen D.D., Huijbers R., 2007. Doramectin and albendazole resistance in sheep in The Netherlands. Veterinary Parasitology 144, 180-183.

Borgsteede F.H.M., Verkaik J., Moll L., Dercksen D., Vellema P., Bavinck G., 2010. Hoe wijd verspreid is resistentie tegen ivermectine van maagdarmwormen bij het schaap in Nederland? Tijdschrift voor Diergeneeskunde 135, 782-785.

Eysker M., Bakker N., Kooyman F.N.J., Van der Linden D., Schrama C., Ploeger H.W., 2005. Consequences of the unusually warm and dry summer of 2003 in The Netherlands: Poor development of free living stages, normal survival of infective larvae and long survival of adult gastrointestinal nematodes of sheep. Veterinary Parasitology 133, 313-321.

Janssens P.G., Vercruysse J., Jansen J. (redactie), 1989. Wormen en wormziekten bij mens en huisdier. Samsom Stafleu, Alphen aan den Rijn/Brussel.

Vellema P., 2008. Gezonde schapen. Reed Business/Het Schaap, Doetinchem.