Samenvatting

In de wettelijke bepalingen omtrent het doden van dieren wordt een onderscheid gemaakt tussen het doden van productiedieren en dieren die voor andere doeleinden worden gehouden.

Uitgangspunt betreffende het doden van dieren is artikel 2.10 Wet dieren. Op grond van het eerste lid van dit artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur diersoorten of –categorieën worden aangewezen die (in beginsel) niet mogen worden gedood. Deze diercategorieën zijn aangewezen in artikel 1.9 Besluit houders van dieren. Het gaat om ganzen, honden en katten. De Wet dieren kent derhalve geen algemeen verbod voor de houder om een dier te doden (behalve de hiervoor genoemde diercategorieën). Er geldt daarom geen verbod om schapen te doden. Wel gelden de randvoorwaarden uit artikel 1.11 tot en met 1.14 van het Besluit houders van dieren.

Specifieke regelgeving inzake het doden van productiedieren

Voor het doden van dieren en op met het doden verband houdende activiteiten, waarop verordening (EG) nr. 1099/2009 van toepassing is, gelden voornoemde bepalingen niet (zie art. 5.1 Besluit houders van dieren), maar moet de verordening worden gevolgd. De verordening heeft betrekking op het doden van dieren die gefokt of gehouden worden voor de productie van levensmiddelen, wol, huiden, pelzen of andere producten, voor het doden van dieren met het oog op ruiming en voor daarmee verband houdende activiteiten. Afhankelijk van het doel waarvoor schapen worden gehouden kan deze verordening van toepassing zijn.

Artikel 19 verplicht de houder ertoe om in noodsituaties alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de dieren zo snel mogelijk te doden. Onder het doden „het doden van dieren in noodsituaties” wordt verstaan het doden van dieren die zodanig gewond of ziek zijn dat dit met ernstige pijn of ernstig lijden gepaard gaat, terwijl er geen andere praktische mogelijkheid is om die pijn of dat lijden te verlichten (artikel 2 onder d).

Toelichting

Voorafgaand aan de dodingshandeling van dieren op het primaire bedrijf moeten de dieren bedwelmd of verdoofd worden. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden bespaard. Het wordt uitgevoerd door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om de taken humaan en doeltreffend uit te voeren. In uitzonderlijke situaties kan gedood worden zonder voorafgaande bedwelming, mits de dodingshandeling onmiddellijk leidt tot de dood van het dier.

Het tijdig euthanaseren van wrakke schapen wordt sterk beïnvloed door wetgeving en economie. Dit dilemma waar schapenhouders in geplaatst worden mag nooit en te nimmer leiden tot verminderd welzijn van de schapen.

De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA, 2007) heeft geadviseerd om schapenhouders onder bepaalde voorwaarden gebruik te laten maken van een penschiettoestel om hun wrakke dieren te bedwelmen om daarna te doden. Veehouders mogen hun wrakke dieren met een schietmasker bedwelmen mits zij een vergunning hebben voor de munitie binnen de Wet Wapens en Munitie (WWM).

Met onderstaande notitie wordt de wet- en regelgeving betreffende het doden van wrakke schapen op het bedrijf op een rijtje gezet. Een inspanning die bedoeld is om de schapenhouder de juiste beslissing te kunnen laten nemen en het dierenwelzijn binnen de schapenhouderij naar een hoger niveau te tillen.

Download notitie 'Doden van schapen op het bedrijf' (pdf)