Chlamydophila abortus (tot voor kort Chlamydia psittaci genoemd) is een bacterie die grote abortusproblemen (verwerpen) kan veroorzaken bij schapen en geiten en sporadisch ook bij runderen en herten.
Inhoud

Symptomen

Bij een door Chlamydia abortus geïnfecteerde kudde is het vinden van enkele verworpen vruchten de laatste weken voor de berekende aflammerdatum vaak het eerste symptoom dat er iets aan de hand is. Het verworpen lam ziet er normaal en fris uit. Soms worden wat dikke buikjes gezien, veroorzaakt door onderhuids vocht. Het is niet ongewoon dat een geïnfecteerde ooi behalve een dood lam ook één of meer een levende zwakke of gezonde lammeren werpt. Deze gezonde lammeren kunnen wel geïnfecteerd zijn en de bacterie latent met zich meedragen. In de eerstvolgende dracht zullen zij ten gevolge van de infectie met Chlamydia verwerpen. Chlamydia abortus geeft in het algemeen bij de volwassen ooi behalve verwerpen geen andere ziekteverschijnselen. Aan de placenta/nageboorte zijn vaak veranderingen zichtbaar zoals verdikte en ontstoken vruchtvliezen en cotelydonen (rozetten). Veranderingen aan de placenta treden niet op voor de 90ste dag van de dracht. In eerste instantie treedt infectie op in het centrum van de rozetten waarna het zich naar buiten toe over de vliezen tussen de rozetten uitbreidt. De infectie veroorzaakt een karakteristieke rode (soms zelfs gelige) verdikking van de vruchtvliezen. Door de schade aan de rozetten worden de hormoonconcentraties die nodig zijn voor het instant houden van de dracht verminderd. Men neemt aan dit de oorzaak is voor het uiteindelijk verwerpen van de vrucht.

Chlamydophila abortus kan het eerste jaar na introductie op een bedrijf tot grote abortus problemen leiden bij dieren van alle leeftijden. Daarna treedt stabilisatie op van de problemen en vindt op termijn abortus bijna alleen plaats bij dieren die voor de eerste keer werpen en bij nieuw aangekochte dieren. De infectie blijft in het koppel bestaan maar leidt bij dieren die geaborteerd hebben tot een zodanige immuniteit dat hetzelfde dier in de regel niet weer aborteert.

Ooien die verworpen hebben kunnen tijdens de bronst of bij een volgende lammertijd weer Chlamydia abortus uitscheiden. Gevoelige, niet immune ooien kunnen de bacterie met het voer of het grazen opnemen waarna infectie plaatsvindt. Bij ooien die in de eerste helft van de dracht worden geïnfecteerd, treedt abortus op in het laatste deel van de dracht. Vindt de infectie plaats op een later tijdstip in de dracht, dan blijft de infectie inactief. Bij een volgende dracht wordt de infectie actief en leidt dan alsnog tot verwerpen.

Diagnose

Klinische diagnose op basis van veranderingen aan de placenta zijn niet specifiek voor Chlamydia abortus. Laboratorium diagnose van het verworpen lam met nageboorte is daarom aangewezen voor bevestiging van Chlamydia abortus.

Behandeling

In geval van een uitbraak is het primaire doel om verspreiding van de infectie te voorkomen. Ooien die verwerpen of een dood of levend lam werpen moeten duidelijk worden geregistreerd en geïsoleerd van de andere ooien totdat er geen vaginale uitvloeiing meer plaatsvindt (12-15 dagen na verwerpen). Verworpen ooien niet bij de jaarlingen of lammeren plaatsen. Geaborteerde foetussen, dode lammeren en nageboorten inclusief het besmette strooisel moet worden verwijderd en vernietigd. Lammerhokjes waarin verwerpers hebben gestaan moeten worden gereinigd en ontsmet en, indien mogelijk, niet opnieuw worden gebruikt. De kudde indien mogelijk naar een nieuwe weide verplaatsen of de besmette plek uitrasteren.

Als een drachtige kudde wordt verdacht van een actieve Chlamydia-infectie, kan de hele kudde worden behandeld met een langwerkende oxytetracycline. Voor het beste effect moet de behandeling plaatsvinden tussen 95 en 105 dagen van de dracht. Een herhalingsinjectie twee weken later zal de verliezen verder beperken. Sommige ooien echter zullen ondanks behandeling afbreken afhankelijk van de aanwezige schade aan de placenta. Het lukt overigens niet om besmette ooien vrij te krijgen met oxytetracyclines. Het belang van de therapie is dat placenta schade en daardoor abortus kan worden beperkt.
Preventie

Aborterende ooien kunnen met de verworpen vrucht en de uitvloeiing uit de vulva (kling) de omgeving gedurende verscheidene dagen besmetten met de bacterie. Deze uitscheiding kan enkele dagen voor de abortus optreedt al beginnen en kan tot twaalf dagen na de abortus doorgaan. Verwerpende ooien dienen geïsoleerd, dus uit de kudde gehaald te worden en apart opgestald of geweid worden.

Op de Nederlandse markt is er één geregistreerd vaccin, genaamd Enzovax (Intervet/MSD). In 2012 wordt via de cascade regeling ook het Cevac Chlamydia vaccin van CEVA Santé Animale toegepast. Voor het gebruik dienen de instructies van de fabrikanten strikt opgevolgd te worden. Met een enkelvoudige dosis is er een bescherming gedurende drie tot vier lammerperiodes. In omstandigheden waarin vaccinatie noodzakelijk geacht wordt, moeten idealiter alle dieren worden ingeënt in het eerste jaar en daarna alleen de vervangingsooien en nieuw aangekochte dieren op maximaal vier weken vóór het dekken. Het vaccin is een verzwakt levend vaccin, zwangere vrouwen wordt nadrukkelijk afgeraden met het vaccin te werken. Beide vaccins hebben een wachttijd voor vlees van 7 dagen.

De behandeling van alle drachtige ooien in een kudde met langwerkende oxytetracycline moet worden beperkt tot noodsituaties en niet routinematig ingezet worden.

Met serologische bloedtests kan bepaald worden of een kudde vrij is van Chlamydia. In dat geval is het belangrijk insleep van Chlamydia te voorkomen door nieuwe rammen en ooien van Chlamydia vrije kuddes te betrekken.

De rol van rammen bij het verspreiden van Chlamydia abortus is nog onduidelijk. Verschillende auteurs geven aan dat de rol van rammen waarschijnlijk niet groot is. De bacterie is echter wel in de acute fase van de infectie (orchitis) in sperma gevonden. Verplaatsing van rammen vanuit een koppel met Chlamydia problemen voor dekdiensten in een ander, ‘problemen-vrij’ koppel is onwenselijk. Rammen kunnen Chlamydia tijdens het dekken van de ene besmette ooi naar de andere verspreiden. Het is niet duidelijk of het behandelen van een ram met langwerkende oxytetracycline of preventief vaccineren de ram “vrij” kan maken van infectie.

Zoonose

Chlamydia abortus is een risico voor de zwangere vrouw. Infectie van de zwangere vrouw kan gepaard gaan met ernstig ziek zijn en verlies van de baby. Zwangere vrouwen mogen daarom geen toegang hebben tot aflammerende ooien. Ook indirect contact, bijvoorbeeld door het wassen van werkkleding, wordt afgeraden. Personen die assistentie verlenen bij de aflammerperiode op een bedrijf met abortusproblemen doen er goed extra hygiënische maatregelen te treffen: handschoenen te gebruiken bij de verlossingen, de handen te wassen en te ontsmetten.

De SOA bij mensen veroorzaakt door Chlamydia trachomatis verschilt van de Chlamydia abortus van het schaap. Aborterende schapen kunnen geen SOA bij de mens veroorzaken.

Bronnen

Chlamydophila abortus. Rapportage Gezondheidsdienst voor Dieren te Deventer. Dercksen, D.P., van Esch, E.J.B., van Maanen, C., Moll, L., Vellema, P. 2006 (?)

Compendium of Animal Health & Welfare in Organic Farming, Duchy College, Cornwall with VEERU at The University of Reading and The Faculty of Veterinary Medicine, University of Glasgow , UK.

Dekker, C.N.T. Departement Gezondheidszorg Landbouwhuisdieren/ Infectieziekten & Immunologie, afdeling Klinische Infectiologie, faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht. Personal Communication, 2012

Diseases of Sheep. Aitken, I.D. 2007