Introductie

Wolluis wordt veroorzaakt door de luis Bovicola (Damalinia) ovis. Deze luis is met het blote oog zichtbaar. Schapen met wolluis hebben jeuk, schuren zich, bijten in de wol en zijn onrustig. Ze hebben een pluizige vacht waar plukken wol uitsteken. Wolluis wordt nogal eens verward met wolschurft.

Symptomen

Het voorkomen van wolluis bij schapen is seizoensgebonden, met de meeste gevallen in de winter wanneer de wol lang is, alhoewel incidenteel ook in de warmere perioden gevallen kunnen voorkomen. B. ovis voedt zich met huidcellen en wol(vet) en veroorzaakt daarmee irritatie van de huid met jeuk tot gevolg. De schapen schuren zich, bijten in de vacht en zijn onrustig. Uit de vacht hangen plukken wol.

Wolluis heeft geen ernstige productiederving tot gevolg zoals bij wolschurft. De conditie blijft redelijk goed. Wel kan het voorkomen dat de onrust en het schuren bij hoogdrachtige schapen leidt tot meer gevallen van slepende melkziekte en verwentelaars. Dit laatste wordt vooral gezien indien er geen schuurmogelijkheden zijn zoals bij het gebruik van flexinetten (flexibele afrastering) en schrikdraad. Een schuurpaal in de wei kan de jeuk verlichten en tijdelijk een oplossing bieden.

Luizen brengen hun hele leven door op het schaap en hebben een korte generatie interval. Het vrouwtje plakt eieren (neten) aan de basis van de wol op 6 mm van de huid, waar ze in 7-14 dagen uitkomen en zich ontwikkelen tot eierleggende volwassenen luizen in 14-21 dagen. Een volwassen luis leeft ongeveer één maand op het schaap. Het grootste deel van de luizen beweegt zich op een afstand van 6 tot 12 mm van de huid in de wol, waar de optimale temperatuur voor de luis heerst. Bij hogere buitentemperaturen (op stal, zomer) verplaatsen de luizen zich meer naar de periferie van de vacht, waardoor meer verspreiding tussen de schapen onderling plaatsvindt.

Buiten het schaap kan wolluis 17 dagen overleven.

Wolluis kan gemakkelijk verward worden met wolschurft en andersom. Therapie is echter verschillend. Aangeraden wordt een duidelijke (microscopische) diagnose te stellen alvorens een behandeling in te stellen.

Diagnose

Jeukende, schurende schapen met plukken losse wol zijn verdacht op wolluis. Bij het op verschillende plaatsen opensperren van de wol kan de luis, afhankelijk van de grootte van de populatie luizen, dicht bij de huid gezien worden als een 1,4 tot 2,6 mm lichtgele tot roodbruine parasiet, met een vorm vergelijkbaar met de haarluis van mensen. Wolluis is lichtschuw en zal zodra de wol opengesperd wordt snel in de dichte vacht wegvluchten. Microscopisch is Bovicola ovis te herkennen aan de brede kop met het lange lijf.

Behandeling

Voor de behandeling van wolluis bij schapen is in Nederland alleen Butox pour on (met werkzame stof deltamethrin) geregistreerd. Richtlijnen op de bijsluiter goed opvolgen. Behandeling een paar weken na het scheren is de beste methode, vooral als de schapen op stal blijven. Het is aangetoond dat met het scheren van de schapen de luispopulatie vermindert. In combinatie met organofosfaten (zoals diazinon (Neocidol) en phoxim (Byemite, Sebacil)) wordt de toxiciteit van Butox versterkt. Daarom wordt het gebruik van deze producten in combinatie met Butox pour on (deltamethrin) niet aangeraden.

Gevallen van resistentie tegen deltamethrin zijn gemeld.

Luizen zijn goed gevoelig voor alle fosforesters zoals phoxim (Byemite, Sebacil) en diazinon (Neocidol). Deze middelen als spray toegepast in verdunde oplossing (10 ml op 10 liter water) vermindert de problemen tijdelijk maar werkt niet afdoende. Dompelbaden zoals beschreven onder wolschurft zijn wel goed werkzaam tegen wolluis. Juist in de winter, met hoogdrachtige schapen, kan dit echter een onoverkomelijk probleem zijn. Ook dient er rekening gehouden te worden met besmette materialen zoals hekken, aflamhokjes en trailers waarin besmette wolresten zijn achtergebleven.

Preventie

Het nastreven van een gesloten bedrijf kan helpen voorkomen dat de schapen worden besmet met luizen. Indien weersomstandigheden het toelaten kan het buiten aflammeren ook helpen om zware luizeninfecties te voorkomen, aangezien ernstige wolluis problemen met name bij binnen gehuisveste schapen voorkomt. Naast direct diercontact kan insleep van wolluis ook optreden via gedeelde afrasteringen, hokken, scheerders, kleding, scanners of veetransportmiddelen waarin eerder besmette dieren zijn vervoerd.

Vachtinspectie, controle op jeuk en een quarantaine periode van 3 weken zijn minimale maatregelen voor alle nieuwe aanvoer. Een preventief dompelbad bij aankomst op het bedrijf geeft de meeste vrijwaring van insleep. Dit geldt ook bij terugkeer van keuringsdieren, uitbesteed fokmateriaal of (onverhoeds) contact met besmette koppels.

Bronnen

Compendium of Animal Health & Welfare in Organic Farming, Duchy College, Cornwall with VEERU at The University of Reading and The Faculty of Veterinary Medicine, University of Glasgow , UK. http://www.organicvet.co.uk/Sheepweb/Index.htm

Diseases of Sheep. Aitken, I.D. 2007

Gezonde Schapen. Vellema, P. 2008

Handboek Schapeziekten. Vellema, P., de Lange, L.J. 1994