Symptomen

Slepende melkziekte (ketose) is de meest voorkomende stofwisselingsstoornis bij ooien in de laatste weken van de dracht. Schapen met slepende melkziekte zijn sloom, trillen licht met het hoofd, stoppen met vreten en er kunnen neurologische verschijnselen zoals tandenknarsen en beiderzijdse blindheid (dringen in een hoek) gezien worden. Uiteindelijk blijven deze dieren liggen en kunnen niet meer op. In een later stadium treden fietsbewegingen op. De verschijnselen verdwijnen vaak volledig wanneer de ooi gelammerd heeft. Negentig procent van de ooien met slepende melkziekte sterft indien de ziekte niet behandeld wordt. Klinisch chemisch wordt de ziekte onder meer gekenmerkt door hoge plasma concentraties vrije vetzuren. Deze vrije vetzuren ontstaan door een verhoogde vetafbraak. De overmaat aan vrijgekomen vetzuren worden in de lever (deels) omgezet in ketonlichamen zoals acetoacetaat en betahydroxybutyraat. Betahydroxybutyraat concentraties in het bloed van 3,0 mM en hoger worden vaak gevonden bij dieren met klinische slepende melkziekte. Vanaf 1,2 mM betahydroxybutyraat is er al sprake van subklinische slepende melkziekte.

Oorzaak

Slepende melkziekte ontstaat door een verstoring in het verbrandingsproces van vetten bij ooien in het laatste deel van de dracht. Het betreft vooral ooien met meerlingdracht. Wanneer de energieopname in verhouding tot de energiebehoefte bij deze dieren te laag is wordt lichaamsvet afgebroken als extra energiebron. Slepende melkziekte kan bij alle rassen voorkomen. Oudere dieren zijn gevoeliger. Slepende melkziekte komt vaak voor bij veel te vette of veel te magere ooien.

Behandeling

Milde gevallen (alleen sloomheid, nog wel vreetlust) kunnen het best behandeld worden met het tweemaal daags toedienen van 25-30 ml propyleenglycol in de bek. Bij ergere gevallen worden gunstige resultaten (87% kans op genezing) gemeld door tweemaal daags propyleenglycol te combineren met het eenmaaldaags onderhuids toedienen van 0,4 IE/kg lichaamsgewicht insuline. Gemiddeld dient dan de insuline 3-5 dagen worden toegediend, totdat de ooi weer vlot vreet.

Andere behandelingen die gericht zijn op het redden van de ooi en de lammeren geven vaak een wisselend resultaat. Het induceren (opwekken) van de partus (het lammeren) met een corticosteroid (aflammeren start dan ongeveer 48 uur later) of het uitvoeren van een keizersnede redt vaak wel ooi, maar als dit meer dan zeven dagen voor de verwachte aflammerdatum gebeurt, zijn de lammeren vaak nog niet levensvatbaar. Bij liggende ooien die niet meer op willen kan overwogen worden om een druppelinfuus glucose aan te leggen. Omdat bij ongeveer 30% van de ooien met slepende melkziekte ook een hypocalciemie (tekort aan calcium) wordt gevonden, is het aan te raden om zieke dieren ook te ondersteunen met injecties van een calciumoplossing.

Preventie

Hoewel de oorzaak van het ontstaan van slepende melkziekte nog steeds niet helemaal duidelijk is, wordt het wel geassocieerd met een te slechte voeding aan het eind van de dracht. Het is daarom belangrijk om, zeker bij rassen die meerlingen geven, ongeveer 4-6 weken voor het einde van de dracht langzaam te starten met het bijvoeren van schapenbrok. Er moet met de voeding zo gestuurd worden, dat de conditie van drachtige ooien in het laatste deel van de dracht zoveel mogelijk gelijk blijft. Uit onderzoek blijkt daarnaast dat bij schapen met slepende melkziekte een verlaagde concentratie GSH-Px (een maat voor de hoeveelheid selenium) in de rode bloedcellen gevonden wordt. Het is daarom belangrijk om te zorgen dat de seleniumstatus van de drachtige schapen op peil is.

Referenties

Henze P, Bickhardt K, Fuhrmann H, Sallmann HP. Pregnancy toxaemia (ketosis) in sheep and the role of insulin. Journal of Veterinary Medicine Series A-Physiology Pathology Clinical Medicine 1998; 255-66.
Al-Qudah KM, Oxidant and antioxidant profile of hyperketonemic ewes affected by pregnancy toxemia. Veterinary Clinical Pathology 2011; 60-65.