Regelwijzer schapen en geiten

Dit artikel bevat een overzicht van de wettelijke regels waar niet-bedrijfsmatige schapen- en geitenhouders mee te maken hebben.

Tijdens een dierziektecrises (MKZ, blauwtong, Q-koorts, etc.) wordt er tijdelijke regelgeving uitgevaardigd. Deze sterk wisselende regelgeving is te vinden in het artikel 'Tijdelijke regelgeving i.v.m. dierziekten'

Inhoud

Voorwoord

Algemene regels

Identificatie en registratie

Registratie

Identificatie

Alternatief voor oormerken

Bestelling merken

Merkverlies

Uitgescheurde oren

Centrale I&R databank

Meer informatie over I&R

Voorzieningen

Eenvoudige wasplaats

Transport

21-dagen regeling

Afvoer en vervoersdocument

Aanvoermelding

Uitscharen en inscharen

Reiniging en ontsmetting

Transportverordening

Ingrepen, ziekte en medicijnen

Ingrepen aan de dieren

Meldingsplichtige ziekten en verschijnselen

Medicijngebruik

Vaccinaties

Gezondheidsprogramma's

Keuringen en tentoonstellingen

Export

Slacht

Voedsel Keten Informatie (VKI)

Sterfte

Referenties

Bijlage A: Voorschriften transportverordening

 

Voorwoord

De tekst van deze brochure is met grote zorgvuldigheid samengesteld. Toch kan het onvolledigheden, fouten of onduidelijkheden bevatten. Graag ontvang ik suggesties voor verbetering.

Bij een aantal regels is geen rekening gehouden met de specifieke situatie in de niet-bedrijfsmatige houderij. Hierdoor kan de praktische uitvoering van de regels problemen geven. Op enkele plaatsen staan cursief geschreven toelichtingen die echter geen deel uitmaken van de officiële regelgeving. De complete teksten van de originele wetten, regelingen, besluiten en verordeningen zoals gepubliceerd door het bevoegd gezag zijn bindend. Aan deze brochure kunnen geen rechten worden ontleend. De opsteller aanvaardt daarom geen enkele aansprakelijkheid.

De regels zijn aan verandering onderhevig. Daarom zal deze regelwijzer regelmatig worden herzien.

Kijk op www.platform-ksg.nl voor de laatste versie.

Gijsbert Six
Platform voor de Kleinschalige Schapen- en Geitenhouders

Algemene regels

De Wet Dieren geeft algemene regels zoals:

  • Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

  • Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg.

  • Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.

  • Het is verboden dieren als prijs, beloning of gift uit te loven of uit te reiken naar aanleiding van wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere dergelijke evenementen.

De algemene plaatselijke verordening (APV) van uw gemeente kan nadere eisen aan het houden van schapen en geiten stellen, bijvoorbeeld de eis dat er een deugdelijk hek om het weiland staat of maatregelen tegen stankoverlast.

Identificatie en registratie

Registratie

Als u schapen of geiten houdt moet u geregistreerd staan bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van het Ministerie van EZ en een Uniek Bedrijfsnummer (UBN) schaap/geit hebben. Het aantal dieren maakt niet uit. Ook bij één hobbymatig gehouden dwerggeitje is registratie verplicht.

De registratie kan worden aangevraagd via de website van RVO (www.rvo.nl , zoek op 'dieren registreren')

U krijgt jaarlijks een rekening voor de kosten van de registratie.

Wijzigingen in naam en adresgegevens, het bedrijf waar de dieren worden gehouden en wijzigingen in gehouden diersoorten, geeft u binnen drie weken door.

Let op:
Mensen die een UBN hebben aangevraagd krijgen ook een mailing van de Gezondheidsdienst voor Dieren BV (GD). Dit kan verwarring geven. De GD is een commercieel bedrijf die, zoals ieder ander bedrijf, belang heeft bij zoveel mogelijk klanten. Deelname aan SG-Online of gezondheidsprogramma's van de GD is
niet verplicht.

Identificatie

Schapen en geiten geboren voor of op 9 juli 2005 moeten minimaal één oormerk of tatoeage (bij geiten) hebben met daarop:

  • de letters NL en LNV
  • het UBN
  • een individueel volgnummer (maximaal 5 getallen).

Schapen en geiten geboren na 9 juli 2005 moeten twee identificatiemiddelen hebben, waarvan minimaal één gewoon oormerk. Het tweede oormerk mag vervangen worden door een elektronisch oormerk, een klein oormerk of een maagbolus.

De merken moeten binnen 6 maanden na geboorte worden aangebracht of eerder als het dier het bedrijf verlaat.

Als het lam in de eerste week na de geboorte met de moeder over de openbare weg wordt vervoerd hoeft het lam nog geen oormerken in.

Bij geiten, die niet geëxporteerd worden, mag het tweede oormerk vervangen worden door een tatoeage. Eisen aan de tatoeage:

  • De tatoeage bestaat uit de letters `NL' gevolgd door het UBN van het bedrijf waar de geit is geboren en een uniek volgnummer.

  • De tatoeage wordt aangebracht in de kleuren zwart of groen.

  • De tatoeage wordt aangebracht met een daarvoor geschikte tang op een zodanige wijze dat de tekens goed leesbaar blijven.

Alle dieren die na 1 januari 2010 worden geboren moeten voorzien worden van een elektronische identificatie.

Dieren die voor 1 januari 2010 zijn geboren hoeven niet hermerkt te worden met elektronische merken. Het mag wel. Dieren die geboren zijn voor 9 juli 2005 mogen nog steeds één oormerk of tatoeage (bij geiten) hebben.

Binnen zes maanden na geboorte moeten alle lammeren twee merken in hebben.

Als het lam voor die tijd over de openbare weg wordt verplaatst of bedrijf (UBN) verlaat dan moet het lam alle twee de merken in hebben.

Kijk bij RVO voor de regels omtrent geïmporteerde dieren.

Toegestane merken en combinaties voor schapen en geiten:

 

variant

Type merken en combinaties als aantal merken = 2

kleur zichtbare merk

1

1 oormerk + 1 oormerk waarin een transponder is geplaatst

groen

2

1 pootband + 1 oormerk waarin de transponder is geplaatst

groen

3

1 tatoeage + 1 oormerk waarin de transponder is geplaatst

niet toegestaan voor dieren bestemd voor export naar EU-landen

groen oormerk +

groene of zwarte tatoeage

4

1 tatoeage + 1 maagbolus waarin de transponder is geplaatst

niet toegestaan voor dieren bestemd voor export naar EU-landen

grijs

5

1 oormerk + 1 maagbolus waarin een transponder is geplaatst

grijs

6

1 pootband + 1 maagbolus waarin een transponder is geplaatst

grijs

7

1 oormerk + 1 pootband waarin een transponder is geplaatst

niet toegestaan voor dieren bestemd voor export naar EU-landen

oranje

8

1 oormerk + 1 injectaat waarin een transponder is geplaatst

niet toegestaan voor dieren bestemd voor export naar EU-landen

wit

 

Tijdelijk merk
Bij verlies van 1 merk kan een tijdelijk rood merk als 2e merk worden ingebracht. Dit rode merk is elektronisch bij verlies van het elektronische deel en visueel bij verlies van het visuele deel. Het rode merk heeft een ander nummer dan het originele merk en moet worden gemeld aan het I&R-systeem.

Met een rood merk mag het dier alleen afgevoerd worden naar de slacht.

rood

 

 

Hoewel al deze varianten in principe zijn toegestaan, zijn op dit moment alleen setjes van een tweetal varianten door het ministerie goedgekeurd en door leveranciers leverbaar:

  • 1 groen oormerk en 1 groen oormerk waarin een transponder is geplaatst (variant 1)

  • 1 grijs oormerk en 1 maagbolus waarin een transponder is geplaatst. (variant 5)

Alternatief voor oormerk(en)

Maagbolus
De combinatie maagbolus met tatoeage is toegestaan.

Voor het inbrengen van een grote maagbolus moet een dier minimaal 25 kg wegen. Voor een kleine maagbolus mag een dier niet zwaarder zijn dan 40 kg.

Onderhuidse chip
Officieel is een onderhuidse chip nog steeds niet toegestaan. Kijk op de website van de NBvH voor een mogelijke constructie:

http://www.hobbydierhouder.nl/nl/regelgeving/identificatie-en-registratie/857-identificatie-en-registratie

Bestellen merken

MijnRVO.nl bevat een lijst van de toegelaten identificatiemiddelen en hun leveranciers.

U bestelt de merken rechtstreeks bij de leverancier.

Bij een bestelling worden de merken aan uw UBN toegekend. Het is mogelijk om via de centrale I&R databank van RVO merken over te dragen op een ander UBN.

Merkverlies

Is een schaap of geit een merk verloren, zorg dan dat het verloren merk zo snel mogelijk wordt vervangen. Dit noemen we ook hermerken. Het hermerken gebeurt met een oormerk uit de voorraad die op uw UBN aanwezig is. Het hermerken met een nieuw nummer meldt u aan de I&R centrale databank door middel van een vervangend merk melding.

Tijdelijk merk
Een tijdelijk merk is rood en kan elektronisch of visueel zijn. Het nummer van een tijdelijk merk bestaat, net als bij de gewone elektronische merken, uit de landcode en een uniek twaalfcijferig nummer.

Het tijdelijk merk mag gebruikt worden als een dier één merk verloren heeft. Het aanbrengen van het tijdelijk merk registreert u in de I&R centrale databank.

Met een tijdelijk merk mogen dieren rechtstreeks naar een slachthuis binnen Nederland worden vervoerd. Ook als de afvoers naar het slachthuis via een verzamelplaats gebeurt. Dieren met een rood merk mogen niet voor export weg. En ook niet afgevoerd naar een ander bedrijf (UBN). Dan moet u het rode merk vervangen door een nieuw merk met hetzelfde nummer als het verloren merk.

Uitgescheurde oren

Aan de RVO is de vraag voorgelegd wat men moet doen met dieren waarvan de oren niet meer geschikt zijn om oormerken aan te brengen. Hieronder het antwoord.

Hartelijk dank voor uw e-mail van 11 september 2009 waarin u vraagt hoe u moet handelen wanneer de oren van een geit niet meer geschikt zijn om opnieuw te oormerken.

De AID zegt dat in dit uitzonderingsgeval het oormerk 'in de vensterbank' gelegd moet worden met daarbij een foto van het dier, waarbij de oormerken ernaast gehouden worden en zichtbaar zijn op de foto en de omschrijving. Zo is bij controle of uitbraak dierziekte direct duidelijk welk dier geen oormerken in heeft.

Wanneer het dier het bedrijf verlaat, dan is het, volgens de AID, alleen maar aannemelijk dat het dier naar de slacht of naar Rendac gaat en het niet meer voor het leven wordt afgezet. Stel dat men het dier verkoopt aan een andere eigenaar, dan moet er sowieso een oormerk in. Ook als het dier het bedrijf verlaat voor de slacht of Rendac.

Als er één oor helemaal is uitgescheurd en het dier moet dubbelgemerkt worden, dan gaat dat op dezelfde manier: Het ene oormerk in één oor en het andere met een foto van het dier en een omschrijving van het dier erbij 'in de vensterbank'. D.w.z. dat de identificatie direct aantoonbaar moet zijn bij controle van de AID of bij uitbraak van een dierziekte.

Mogelijkheden om de oormerken op de foto te krijgen samen met het dier:
De oormerken kunnen in de hand bij het oor gehouden worden of met een paperclip bevestigd worden aan het oor om een foto te maken.

Centrale I&R databank

Alle schapen en geiten zijn geregistreerd in een centrale I&R databank (I&R Dieren) van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van het Ministerie van Economische Zaken (EZ)

Iedere UBN houder kan bij MijnRVO inloggen. Particulieren loggen in met hun DigiD. Bedrijven loggen in via e-Herkenning.

U kunt via MijnRVO iemand anders machtigen om de medingen voor u te doen.

Het doorgeven van mutaties is vergelijkbaar met telebankieren via internet. De volgende meldingen kunnen aan de centrale I&R databank gedaan worden: geboorte, aanvoer, afvoer, omnummering, dood en vermissing. Meldingen kunnen achteraf hersteld worden. De help schermen in het systeem bevatten uitgebreide toelichtingen.

Voice Response Systeem (telefoon)

U kunt ook telefonisch meldingen doorgeven. U krijgt een automatische telefoonbeantwoorder die u vertelt welk menu u moet volgen en op welke toetsen u moet drukken. U geeft met behulp van de telefoontoetsen uw meldingen door. Een gebruikershandleiding is te vinden op MijnRVO.

Meer informatie over I&R

Kijk op MijnRVO.

Voorzieningen

Eenvoudige wasplaats

Ieder bedrijf met 10 of meer schapen en/of geiten moet beschikken over een eenvoudige wasplaats (R&O plaats, reinigen en ontsmetten). Aan de R&O plaats worden de volgende eisen gesteld:

  • Er is een verharde ondergrond over de gehele lengte van het transportmiddel.

  • Water en andere vloeistoffen mogen niet in de ondergrond of het oppervlaktewater kunnen stromen.

  • Er is een afvoer voor de opvang van het gebruikte water en andere vloeistoffen.

  • Er moet voldoende water beschikbaar zijn voor het reinigen en ontsmetten.

  • De plaats moet zodanig verlicht kunnen worden dat te allen tijde reiniging en ontsmetting plaats kan vinden.

  • Er moeten voorzieningen aanwezig zijn om te kunnen reinigen en ontsmetten.

  • Er moeten toegelaten reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn.

  • De chauffeurs moeten hun handen kunnen wassen met warm water en zeep.

  • Er is een voorziening voor het reinigen van laarzen of er worden laarzen en bedrijfskleding ter beschikking gesteld.

De eis van een eenvoudige wasplaats geldt ook niet voor bedrijven waar na 1 januari 2010 geen aanvoer heeft plaatsgevonden.

Informatie over wasplaatsen via MijnRVO

Opmerkingen

Deze regels zijn niet geschreven met de kleinschalige houderij voor ogen.

Het Platform KSG geeft een paar mogelijkheden om tegemoet te komen aan bovenstaande eisen. Let wel: het zijn geen officieel toegelaten werkwijzen, dus voor eigen risico.

optie 1: zeer eenvoudige mobiele wasplaats bestaande uit:

  • zeil en balkjes om de randen omhoog te brengen

  • tuinslang, hogedrukspuit of gieter met water en bezem voor reinigen en naspoelen

  • ontsmettingsmiddel

  • spuit of gieter om ontsmettingsvloeistof toe te dienen

  • emmer om op het zeil opgevangen vloeistoffen af te voeren

optie 2: ontsmetting met citroenzuur

Citroenzuur is een effectief ontsmettingsmiddel tegen MKZ dat onschadelijk is voor het milieu. Het is echter niet toegelaten. Niemand heeft een toelating aangevraagd omdat niemand een commercieel belang heeft bij de toelating van een generiek middel zoals citroenzuur.

Bij gebruik van citroenzuur zouden de verharde ondergrond en het zeil achterwege kunnen blijven omdat er alleen mest en onschadelijke stoffen worden weggespoeld.

Tijdens een MKZ crisis gebruikt de NVWA zelf ook citroenzuur omdat er dan op grote schaal wordt ontsmet en men het milieu zo min mogelijk wil belasten.

Transport

21-dagen regeling

Indien schapen of geiten worden aangevoerd vanaf een ander bedrijf mogen deze dieren gedurende 21 dagen na de aanvoer niet van het bedrijf worden afgevoerd. Deze individuele 21-dagen regeling geldt alleen voor de dieren die zijn aangevoerd. De overige dieren mogen in die periode wel afgevoerd worden.

Voor keuringen en tentoonstellingen wordt een uitzondering gemaakt. Dieren die naar een keuring of tentoonstelling zijn geweest mogen daarna, zonder de wachttijd van 21-dagen, weer naar een andere keuring of tentoonstelling.

Afvoer en vervoersdocument

Bij ieder vervoer naar een ander UBN moet u een papieren vervoersdocument opstellen. Dit document moet tijdens het transport van de dieren aanwezig zijn. Binnen 7 dagen moet u dan wel de afvoer in I&R Dieren registreren.

In de volgende gevallen is geen papieren vervoersdocument nodig:

  • U vervoert de dieren binnen het eigen bedrijf over de openbare weg of met een eigen vervoermiddel.
  • U registreert in I&R Dieren een volledige afvoermelding en doet dit voorafgaand aan het transport.
  • De transporteur leest de gegevens van de af te voeren dieren in en slaat deze op in de reader (uitleesapparaat voor elektronische merken).

Als de Transportverordening van toepassing is dan kan er een papieren vervoersdocument in het kader van de Transportverordening nodig zijn. Zie de paragraaf over de Transportverordening.

Een vervoersdocument dat ook voldoet aan de eisen van de Transportverordening kunt u vanaf deze pagina downloaden:

https://mijn.rvo.nl/schapen-en-geiten-melden

Aanvoermelding

Het bedrijf van afvoer heeft bij de afvoermelding het UBN opgegeven waar het dier naar toe gaat of is gegaan. Vervolgens moet het bedrijf van aanvoer in I&R Dieren de aanvoer bevestigen door middel van een aanvoermelding.

Uitscharen en inscharen

Uitscharen is het tijdelijk laten lopen van uw dieren op het land van een ander. Inscharen is het tijdelijk laten lopen van dieren van een ander op uw land.

Er zijn twee mogelijkheden:

  1. Op het perceel waar de dieren naar toe gaan, lopen geen andere dieren en u neemt het perceel tijdelijk in gebruik via een mondelinge of schriftelijke gebruiksovereenkomst. Dit perceel wordt tijdelijk tot uw UBN gerekend en u hoeft geen registratie in I&R Dieren te doen.

  2. Het perceel kan niet tijdelijk tot uw UBN worden gerekend, omdat er andere dieren lopen. U schaart dan de dieren uit en doet een afvoermelding aan I&R Dieren. De inschaarder (tijdelijke houder) doet een aanvoermelding. Bij terugkomst van de dieren doet de inschaarder een afvoermelding en u een aanvoermelding aan I&R Dieren. De inschaarder moet in dit geval altijd een UBN voor de diersoort schapen en geiten hebben.

Reiniging en ontsmetting

De vervoerder is verplicht een vervoerseenheid, met inbegrip van de daarbij behorende voorwerpen, waarmee een of meer evenhoevigen zijn vervoerd terstond na de lossing op de plaats van lossing te reinigen en met een toegelaten ontsmettingsmiddel te ontsmetten op zodanige wijze dat de bioveiligheid niet in gevaar komt.

Uitzonderingen zijn:

  • Vervoer rechtstreeks van de stal of de weide naar een andere weide van hetzelfde bedrijf wanneer het vervoermiddel zo spoedig mogelijk na dit vervoer wordt gereinigd en ontsmet.

  • Vervoer rechtstreeks van een bedrijf naar een weide van een ander bedrijf, wanneer het vervoermiddel zo spoedig mogelijk na dit vervoer wordt gereinigd en ontsmet.

De ontvanger van de dieren verleent alle medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee de evenhoevigen naar zijn plaats of bedrijf zijn vervoerd.

Uitgevoerde reinigingen en ontsmettingen van veewagens moeten worden geregistreerd. Dit kan op 3 manieren:

  1. op het NVWA formulier 'Logboek Veevervoer / R&O Register'.

  2. in het ontsmettingsboekje dat de VWA tot 31 december 2008 heeft uitgegeven.

  3. op een ontsmettingsblad, dat door het Platform KSG is opgesteld.

Opmerking:

Methode 1 is erg omslachtig. Het geeft veel dubbel schrijfwerk omdat de meeste gegevens ook op het vervoersdocument I&R worden genoteerd.

Transportverordening

Bij transporten in het kader van een economische activiteit is de Europese Transportverordening (verordening (EG) nr. 1/2005) van toepassing. De toepasselijkheid van de Transportverordening kan worden bepaald aan de hand van de volgende vragen.

Eerste vraag:

Betreft het een transport in het kader van een economische activiteit?

Volgens de interpretatie van de NVWA is er sprake van een economische activiteit als het vervoer plaats vindt in het kader van verkoop of verhuur van het te vervoeren dier. Bij aanhouding wordt getoetst of het transport bedrijfsmatig is.

Voorbeeld: een niet-bedrijfsmatige houder verkoopt een aantal dieren en levert deze bij de koper af. Ook al worden de dieren niet bedrijfsmatig gehouden, de verkoophandeling wordt door de VWA gezien als een economische activiteit. Het gaat erom of er aan het aan het eind van de rit geld wordt betaald.

Enkele voorbeelden van gevallen waarin er naar de mening van het Platform KSG geen sprake is van een economische activiteit:

  • Een niet-bedrijfsmatige houder koopt schapen, betaalt de verkoper en neemt de dieren mee naar huis.
  • Een fokker gaat met geiten naar een keuring, zonder het oogmerk dieren te verkopen.
  • Een fokker brengt een aantal dieren naar de slager. Het vlees is bedoeld voor eigen consumptie.

Antwoord: Nee

De Transportverordening is niet van toepassing. Alleen artikel 2.1 van de Wet Dieren is van toepassing (verbod op dierenmishandeling) De algemene beginselen van de Transportverordening (bijlage A) kunnen hierbij als leidraad gebruikt worden.

Stop. Ga niet verder met de volgende vragen.

Antwoord: Ja

Ga naar de tweede vraag.

Tweede vraag:

Betreft het een transport  in één van de volgende categorieën:

  1. Vervoer door veehouder ten behoeve van seizoens-gebonden verweiding
  2. Vervoer van eigen dieren door veehouder over een afstand kleiner dan 50 km
  3. Maximaal 10 dieren (met uitzondering van tranport naar een slachthuis)

Antwoord: Ja

Alleen de algemene beginselen van artikel 3 van de Transportverordening zijn van toepassing:

  • verbod op zodanig vervoer dat waarschijnlijk letsel of onnodig lijden wordt berokkent,

  • dieren moeten geschikt zijn,

  • wagen moet geschikt zijn,

  • dieren moeten voldoende ruimte en zorg krijgen.

Bijlage A kan als een richtlijn worden beschouwd.

Stop. Ga niet verder met de volgende vragen.

Antwoord: Nee

Ga naar de derde vraag.

Derde vraag:

Maak een keuze uit de volgende gevallen:

  1. Transport over afstanden kleiner dan 65 km
  2. Transport over afstanden groter dan 65 km, maar korter dan 8 uur
  3. Transport langer dan 8 uur

1) Transport over afstanden kleiner dan 65 km

Technische voorschriften

De technische voorschriften uit bijlage A zijn van toepassing. Het gebruikte wegvervoermiddel moet weliswaar geschikt zijn, maar hoeft niet gekeurd te worden door de NVWA. Het wegvervoermiddel hoeft dus niet over een certificaat te beschikken.

Vervoersdocumenten

Er moeten documenten met de volgende gegevens aanwezig zijn:

a) de herkomst en de eigenaar;

b) de plaats van vertrek;

c) datum en uur van vertrek;

d) de plaats van bestemming;

e) de verwachte duur van het voorgenomen transport.

Hiervoor kan het vervoersdocument, dat ook in het kader van de I&R wordt gebruikt, worden gebruikt.

Overig

De vervoerder hoeft geen vervoersvergunning en geen getuigschrift van vakbekwaamheid te bezitten.

2) Transport over afstanden groter dan 65 km, maar korter dan 8 uur

De bovengenoemde eisen zijn van toepassing plus de volgende eisen:

Getuigschrift van vakbekwaamheid chauffeurs

U volgt de cursus Getuigschrift Chauffeur Veetransport (CCV). Zie de website van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) voor meer informatie over de opleiding en het examen..

Vervoersvergunning voor vervoerder

Via de website van de NVWA kunt u een aanvraagformulier vergunning transportverordening invullen.

3) Transport langer dan 8 uur

Zie de website van de NVWA voor de extra eisen.

Ingrepen, ziekte en medicijnen

Ingrepen aan de dieren

Het is verboden een of meer lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten, waarbij een deel of delen van het lichaam wordt of worden verwijderd of beschadigd.

Ingrepen die wel zijn toegestaan staan:

  • ingrepen betreffende het onvruchtbaar maken van een dier;

  • ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;

  • het onthoornen van geiten die worden gehouden voor de melkproduktie en van schapen;

  • ingrepen voorzover zij dienen ter identificatie van een dier, met dien verstande dat bij het dier ten hoogste twee van die ingrepen mogen worden verricht:

  • het aanbrengen van een oormerk bij schapen en geiten;

  • het aanbrengen van een tatoeage

Verboden is dus:

  • het onthoornen van geiten die niet voor de melkproduktie worden gehouden

  • het couperen van staarten van schapen behalve bij de rassen Suffolk, Hampshire Down en Clun Forest in het kader van een erkend fokprogramma op korte staarten

(Referentie: Besluit Diergeneeskundigen)

Meldingsplichtige ziekten en verschijnselen

Een dierhouder is verplicht, indien zijn dier verschijnselen heeft van een meldingsplichtige dierziekte, direct een ambtenaar van de NVWA in kennis te stellen. De melding vindt plaats bij het landelijke meldpunt voor dierziekten (Zie NVWA)

Ook voor de dierenarts bestaat er een meldingsplicht voor de aangewezen besmettelijke dierziekten.

De website van het RIVM bevat nadere informatie over zoönosen en meldingsplichtige dierziekten (www.rivm.nl/ziekdoordier)

Zie ook: http://www.nvwa.nl/onderwerpen/dierziekten

De volgende ziekten die bij schapen en geiten voorkomen zijn meldingsplichtig.

Mond- en klauwzeer (MKZ)
Rabiës/ hondsdolheid
Miltvuur
Brucellose
Tuberculose (M. bovis en M. tuberculosis)
BSE en andere TSE's
Ziekte van Aujeszky
Bluetongue (Blauwtong)
Rift Valley koorts
Nodulaire dermatose (Lumpy skin disease)
Scrapie
Schapen en geiten pokken
Schapen en geiten pest
Vesiculaire stomatitis
Q-koorts

Tevens zijn aangifteplichtig:

salmonellose;
campylobacteriose;
listeriose;
toxoplasmose;
echinococcose;
yersiniose;
leptospirose ten gevolge van Leptospira hardjo;
toxoplasmose
Maedi-visna (zwoegerziekte)
Caprine Arthritis/Encephalitis (CAE)

Overige aangifteplichtige ziekten volgens OIE-lijst.

Medicijngebruik

De website van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) bevat een databank met alle in Nederland toegelaten diergeneesmiddelen: www.cbg-meb.nl De productkenmerken en registratiebeschikkingen zijn hier te vinden.

Diergeneesmiddelen zijn ingedeeld in categorieën:

  • UDD: Diergeneesmiddelen die uitsluitend door dierenarts mogen worden toegediend, zoals vaccins.

  • UDA: Diergeneesmiddelen mogen, op voorschrift van een dierenarts, door dierenartsen of apothekers worden afgeleverd en door de veehouder worden toegediend (de meeste antibiotica vallen hieronder)

  • URA: Diergeneesmiddelen mogen op voorschrift van een dierenarts door dierenartsen, apothekers of erkende handelaren worden afgeleverd en door de veehouder of de dierverzorger worden toegediend.

  • Niet-gekanaliseerd (VRIJ): Diergeneesmiddelen zijn zonder tussenkomst van een dierenarts verkrijgbaar bij dierenartsen, apothekers of erkende handelaren.

Ontwormingsmiddelen, middelen tegen parasieten, middelen tegen schimmels, kalmeringsmiddelen, en niet-steroïde pijn-, koorts- en ontstekingsremmers zijn URA middelen en daarom alleen nog op recept verkrijgbaar.

De volgende middelen zijn VRIJ: anti-diarree middelen; stofwisselingscorrigerende middelen; desinfectantia en antiseptica; middelen tegen uitwendige parasieten, zonder werking tegen inwendige parasieten; slijmoplossers; kruidengeneesmiddelen; homeopatische diergeneesmiddelen; laxeermiddelen; maagzuursecretieremmers; ondersteunende middelen bij huidaandoeningen; vitamines, electrolyten, mineralen en sporenelementen.

De term off-label-use (OLU) staat voor ieder gebruik van een (dier)geneesmiddel anders dan bij de registratie is bepaald en in de registratiebeschikking of Samenvatting van Product Kenmerken (SPC) is beschreven. Alhoewel hieronder dus andere doseringen, andere behandeltijden en andere indicaties worden verstaan, betreft OLU met name het gebruik van (dier)geneesmiddelen bij andere dan de geregistreerde diersoorten.

Alleen een dierenarts heeft bij gebleken diergeneeskundige noodzaak het recht zelf of iemand anders onder zijn verantwoordelijkheid diergeneesmiddelen buiten de geregistreerde voorwaarden te (laten) gebruiken.

De houder houdt een logboek bij van de verstrekte medische zorg, inclusief de toegediende medicijnen. Deze gegevens moeten minstens drie jaar bewaard worden. (Besluit houders van dieren)

Bij toediening van medicijnen en andere middelen, zoals ontwormingsmiddelen, dienen de op het etiket of de bijsluiter vermelde wachttijden voor slacht of menselijke consumptie van melk in acht te worden genomen.

Degene die een dier aan een ander overdraagt is verplicht die ander in te lichten met betrekking tot de toepassing bij dat dier van diergeneesmiddelen ten aanzien van de in acht te nemen wachttijden.

Vaccinaties

Voor een aantal categorieen schapen en geiten is er een verplichte vaccinatie tegen Q-koorts. Kijk bij de tijdelijke regelgeving i.v.m. dierziekten voor de details.

Overige vaccinaties zijn vrijwillig.

Gezondheidsprogramma's

Gezondheidsprogramma's, zoals het scrapiefokprogramma en zwoeger (schapen) en CAE/CL (geiten), zijn vrijwillig.

Tentoonstellingen en keuringen

Zie Regeling Dierziektepreventie artikel 49 - 52

De organisator stelt ten minste 30 dagen voorafgaand aan de datum waarop de tentoonstelling of keuring zal plaatsvinden de NVWA schriftelijk in kennis van naam, adres en telefoonnummer van de organisator van de tentoonstelling of keuring, de datum en plaats, alsmede het UBN van de plaats, waar de schapen of geiten worden tentoongesteld of gekeurd.

De tentoon te stellen of de te keuren schapen of geiten moeten door een dierenarts klinisch wordenonderzocht. Dit kan, naar keuze, op twee manieren:

  1. De houder of eigenaar laat de dieren binnen vijf dagen voorafgaand aan de tentoonstelling of keuring door een dierenarts klinisch onderzoeken. De dierenarts stelt van dit onderzoek een gezondheidsverklaring op.
  2. De dieren worden door een dierenarts bij het terrein van de keuring of tentoonstelling onderzocht voordat de dieren toegang krijgen tot het terrein.

De tentoon te stellen of te keuren dieren worden uitsluitend op de plaats aangevoerd en van de plaats afgevoerd met vervoermiddelen waarvoor krachtens de Wegenverkeerswet 1994 een kentekenbewijs of registratiebewijs is afgegeven.

Op de plaats zijn tegelijk met runderen, schapen of geiten geen andere evenhoevigen aanwezig. De plaats is zodanig ingericht dat verschillende aanwezige diersoorten niet met elkaar in contact kunnen komen.

De dieren worden zo spoedig mogelijk na afloop van de tentoonstelling of keuring rechtstreeks vervoerd naar:

  • een in Nederland gelegen slachthuis, of
  • het bedrijf van herkomst.

Het is ook toegestaan om de afkomstig van verschillende bedrijven, op één vervoermiddel te verzamelen ten behoeve van het vervoer naar een tentoonstelling of keuring en dezelfde dieren na afloop van de tentoonstelling of keuring hetzij op de bedrijven van herkomst hetzij op een slachterij af te leveren.

Eenieder, die het deel van de plaats, waar de dieren verblijven, betreedt of verlaat, ontsmet zijn schoeisel door middel van voorzieningen, die duidelijk zichtbaar aanwezig zijn bij elke in- en uitgang van voornoemd deel van de plaats.

Op de plaats zijn voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen, waarmee evenhoevigen worden vervoerd, één of meer installaties aanwezig die water leveren van voldoende druk voor een deugdelijke en efficiënte reiniging en ontsmetting.

Voordat een vervoermiddel, dat geladen is met dieren, de plaats verlaat, reinigt en ontsmet de bestuurder de wielen en wielkasten van dat vervoermiddel. Deze reiniging en ontsmetting geschiedt op een verharde en voor water ondoordringbare ondergrond. Bij de installatie of inrichting voor het reinigen en ontsmetten van vervoermiddelen is een lekvrije en afsluitbare voorziening voor de tijdelijke opslag en afvoer van mest en strooisel aanwezig.

Zo spoedig mogelijk na afloop van de tentoonstelling of keuring worden de verharde terreindelen van de plaats gereinigd en ontsmet met een installatie als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 20.van de regeling dierziektepreventie.

De organisator houdt een administratie bij bestaande uit de I&R meldingen (aanvoer en afvoer), originele gezondheidsverklaringen en de kentekens van de vervoermiddelen waarmee de dieren zijn aan- en afgevoerd. De bewaartermijn is ten minste drie maanden.

De organisator houdt de administratie zodanig bij dat de met toezicht belaste ambtenaren op basis hiervan alle aan- en afgevoerde dieren en de gebruikte vervoermiddelen eenvoudig kunnen traceren.

Export

Algemeen

Dit hoofdstuk behandelt alleen de export naar andere EU landen. Bij iedere export moet de NVWA worden betrokken. Op de website van de NVWA staat een werkvoorschrift met alle exporteisen, uit te voeren controles en de te gebruiken formulieren.

Een officiële dierenarts van de NVWA voert de daadwerkelijke keuring- en certificeringwerkzaamheden uit op de boerderij. De werkzaamheden van de officiële dierenarts kunnen op de volgende wijze worden ingedeeld:

  • Documentencontrole

  • Controle van het vervoermiddel met bijbehorende documentatie en de naleving van de R&O-voorschriften

  • Uitvoering van de klinische keuring tijdens het inladen

  • De afgifte van het gezondheidscertificaat en de afhandeling van de administratieve werkzaamheden

Export van fokschapen en fokgeiten

Fokschapen/fokgeiten zijn bestemd om rechtstreeks naar de plaats van bestemming te worden vervoerd, voor fok- en gebruiksdoeleinden;

Algemene voorwaarden:

  • Bij schapen een zwoegerziektevrijverklaring van de GD.

  • Brucella ovis test voor rammen (binnen 30 dagen voor export).

  • Rammen moeten minimaal de laatste 60 dagen voor export op het verblijf hebben verbleven.

  • De dieren zijn 30 dagen of vanaf de geboorte op het bedrijf verbleven.

  • Er zijn de laatste 21 dagen voor de export geen evenhoevigen op het bedrijf aangevoerd.

  • Rechtstreekse afvoer naar bedrijf van bestemming.

  • In bezit van eigenaars/dierenartsverklaring.

Aanvullende exporteisen schapen en geiten (vanaf de boerderij)

Bij de export van schapen en geiten (fok- en gebruiksdieren) zijn in het kader van de scrapievoorwaarden drie mogelijkheden, te weten:

1) De schapen hebben de genotypering ARR/ARR (geen nadere eisen)

2) De schapen en geiten hebben een andere genotypering dan ARR/ARR. Het bedrijf moet dan aan de volgende nadere eisen voldoen:

  • Is vrij van scrapie gedurende drie jaar (NVWA kan zien of een bedrijf geblokkeerd is geweest ten gevolge van scrapie)
  • Levert een diergeneeskundige verklaring aan van de bedrijfsdierenarts (jaarlijks moet de dierenarts een verklaring ondertekenen dat er geen verschijnselen zijn van scrapie)
  • Laat alle, op het bedrijf gestorven of gedode dieren ouder dan 18 maanden, onderzoeken op scrapie (welke dieren op het bedrijf gestorven of gedood zijn moet vanaf 1 januari 2008 blijken uit het bedrijfsregister, vόόr 1 januari 2008 kan dit blijken uit deelname aan het koppenonderzoek) De uitslagen van dit onderzoek bewaren en overleggen aan de NVWA-dierenarts.
  • Voert alleen schapen aan die ARR/ARR zijn of schapen en geiten afkomstig van een bedrijf dat voldoet aan de vorige drie gedachtenstreepjes.

3) Is deelnemer aan het scrapiebewakingsprogramma (koppenonderzoek door de GD). Het bedrijf moet dan aan de volgende nadere eisen voldoen:

  • Heeft een geldige scrapie onverdacht verklaring van de GD (het bedrijf zal jaarlijks een kop moeten laten onderzoeken en het onderzoeksresultaat bij de GD opvragen en bewaren). Het bedrijf moet minimaal drie jaar scrapie onverdacht zijn.
  • Voert alleen schapen aan die ARR/ARR zijn of schapen en geiten afkomstig van een bedrijf dat voldoet aan de eerste drie gedachtenstreepjes van punt 2.

Export van mestschapen en mestgeiten

Mestschapen/mestgeiten zijn bestemd om rechtstreeks naar de plaats van bestemming te worden vervoerd, om te worden vetgemest voor de slacht. De maximale duur van het afmesten is niet gespecifideerd.

Mestschapen/mestgeiten kunnen alleen worden geëxporteerd onder de volgende voorwaarden:

  • 30 dagen of vanaf de geboorte op het oorsprongsbedrijf verbleven;

  • de laatste 21 dagen voor export geen aanvoer van evenhoevigen op het bedrijf;

  • de laatste 30 dagen voor export geen aanvoer van evenhoevigen uit derde landen;

  • rechtstreekse afvoer naar bedrijf van bestemming (niet via verzamelcentrum, eventueel wel via een controlepost).

Slacht

  • Schapen en geiten mogen alleen in een door de overheid erkend slachthuis worden geslacht.

  • De dieren die geslacht worden moeten geschikt zijn voor menselijke consumptie. De wachttijden voor medicijnen moeten in acht worden genomen.

  • Het vervoer naar het slachthuis moet plaatsvinden zoals hiervoor vermeld in het hoofdstuk 'Transport'.

  • Er mogen vanaf het slachthuis geen levende dieren worden afgevoerd.

Voedsel Keten Informatie (VKI)

Voedsel Keten Informatie (VKI) zijn gegevens over de gezondheidsstatus, ziektegeschiedenis en medicijngebruik van dieren die geslacht worden en zo in de voedsel keten komen. VKI moet ook verstrekt worden als de dieren via de veehandel of via verzamelplaatsen naar de slachterij gaan.

Formulier Voedsel Keten Informatie schapen en geiten, versie 18-12-09 (pdf)

Zie www.infoschaap.nl en www.infogeit.nl voor het via internet verstrekken van de VKI.

De gegevens van VKI-plichtige schapen en geiten moeten 24 uur voor aflevering bij het slachthuis binnen zijn, tenzij de schapen en geiten via een verzamelcentrum naar de slacht gaan. In dat geval mogen de formulieren tegelijkertijd met het afleveren worden overgedragen aan het slachthuis.

Bij slachthuizen die geringe aantallen slachtdieren verwerken (<10 GVE/week) mag de VKI de zending vergezellen . VKI meldingen via infoschaap/infogeit moeten op het moment van afleveren van de dieren gedaan zijn.

Binnenland

Voorafgaand aan de slacht in een Nederlands slachthuis moet VKI aan het slachthuis worden geleverd.

Buitenland

Voor schapen en geiten die worden geëxporteerd voor de slacht in het buitenland moet  VKI worden meegeleverd.

(referentie: Europese Hygieneverordening EG 852/2004).

Sterfte

Kadavers moeten worden aangeboden aan een daartoe aangewezen bedrijf, dat een ophaalplicht heeft. Dit bedrijf is de Rendac.

Melden:

Het kadaver moet worden aangemeld bij de Rendac. Dat kan via de website (www.rendac.nl) of telefonisch.

Tevens moet er een doodmelding plaats vinden in de centrale I&R databank.

Aanbieden:

  • Het kadaver wordt door de aanbieder op de ophaaldag aan de openbare weg neergelegd

  • Het kadaver moet goed worden afgedekt, zodat het niet zichtbaar is voor voorbijgangers en vogels, honden en katten er niet bij kunnen.

  • De kadavers moeten vrij van oneigenlijke materialen (kettingen, plastic etc..) worden aangeboden.

  • De afdekking moet door de chauffeur van Rendac gemakkelijk verwijderbaar zijn.

Lammeren:

  • de kadavers worden aangeboden in een daarvoor geschikte ton

  • voor wat betreft de kadaverton geldt dat deze onbeschadigd is, niet tabs toeloopt en van een stevige kwaliteit en goed te reinigen is.

  • de tonnen moeten vrij zijn van oneigenlijke materialen (kettingen, plastic etc..)

Kadavers tot een gewicht van 40 kilogram tot het moment waarop dit materiaal wordt opgehaald worden bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10 graden Celsius of een inwendige temperatuur van ten hoogste 15 graden Celsius.

Tijdstip van ophalen:

Rendac haalt het kadaver de eerstvolgende werkdag na melding van kadavers op tot 22.00 uur. Om 06.00 uur dienen de kadavers op de daarvoor bestemde of overeengekomen plaats te worden neergelegd.

Daarnaast geldt een afwijkende, extra dienstverlening bij extreem warm weer, de zomerregeling, en gelden er afwijkende regels bij feestdagen.

Referentie: Rendac: www.rendac.nl

Referenties

Nederlandse wet- en regelgeving

De actuele versies van de Nederlandse wetten, besluiten en regelingen zijn te vinden op www.wetten.nl

Wet dieren

Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.

Besluit identificatie en registratie van dieren

Regeling identificatie en registratie van dieren

Besluit houders van dieren

Besluit diergeneesmiddelen

Besluit diergeneeskundigen

EU verordeningen en richtlijnen

Dierlijke Bijproductenverordening EG 1774/2002

Hygiëneverordening EG 852/2004 en EG 853/2004

Transportverordening EG 1/2005

Richtlijn 91/68/EEG inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten

Verordening identificatie en registratie schapen en geiten EG 21/2004

Wijzigings-verordening van EG 21/2004, nr. 933/2008

Overige referenties

College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) www.cbg-meb.nl

MijnRVO: www.mijn.rvo.nl

Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA): www.vwa.nl

Rendac: www.rendac.nl

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM): www.rivm.nl

BIJLAGE A – Voorschriften transportverordening

Europese Transportverordening, technische voorschriften voor het wegvervoer van schapen en geiten met een reistijd van maximaal 8 uur.

VERORDENING (EG) Nr. 1/2005 VAN DE RAAD van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97

LET OP: Onderstaande tekst bevat alleen de voorschriften voor het vervoer over de weg van schapen en geiten met een reistijd van maximaal 8 uur. De complete tekst van de originele verordening zoals gepubliceerd op de website van de EU is bindend. Aan onderstaande tekst kunnen geen rechten worden ontleend. De opsteller van deze tekst aanvaardt daarom geen enkele aansprakelijkheid.

BIJLAGE I TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

(als bedoeld in artikel 6, lid 3, artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, en lid 2, onder a))

HOOFDSTUK I

GESCHIKTHEID VOOR VERVOER

1. Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.

2. Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:

  1. wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen;

  2. wanneer zij ernstige open wonden of een prolaps vertonen;

  3. wanneer het drachtige dieren betreft waarvan de draagtijd reeds voor 90% of meer gevorderd is, of dieren die in de week ervoor geworpen hebben;

  4. wanneer het pasgeboren zoogdieren betreft waarvan de navel nog niet volledig geheeld is;

  5. wanneer het lammeren van minder dan een week betreft, tenzij zij over minder dan 100 km worden vervoerd;

3. Zieke of gewonde dieren kunnen echter in staat worden geacht te worden vervoerd in de volgende gevallen:

  1. wanneer het licht gewonde of zieke dieren betreft waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt; bij twijfel wordt het advies van de dierenarts ingewonnen;

  2. wanneer zij vervoerd worden voor de doeleinden van Richtlijn 86/609/EEG van de Raad (1) indien de ziekte of de verwonding deel uitmaakt van het onderzoeksprogramma;

  3. wanneer zij onder veterinair toezicht vervoerd worden ten behoeve van of ingevolge een veterinaire behandeling of diagnose. Dit vervoer mag echter alleen worden toegestaan als het de dieren geen onnodig leed berokkent en zij niet mishandeld worden; en

  4. wanneer zij veterinaire procedures hebben ondergaan die verband houden met landbouwpraktijken, zoals onthoorning of castratie, mits de wonden daarvan volledig geheeld zijn.

4. Wanneer dieren tijdens het vervoer ziek worden of gewond raken, moeten zij van de andere dieren worden gescheiden en moeten zij zo spoedig mogelijk eerste hulp krijgen. Zij moeten een passende diergeneeskundige behandeling krijgen en, zo nodig, een noodslachting ondergaan of gedood worden op een wijze die geen onnodig lijden veroorzaakt.

5. Aan te vervoeren dieren mogen alleen kalmerende middelen worden verstrekt als dat voor het welzijn van de dieren strikt noodzakelijk is; deze middelen mogen alleen worden gebruikt onder toezicht van een dierenarts.

6. Zogende ooien en geiten die niet vergezeld worden door hun jongen, moeten minimaal om de twaalf uur gemolken worden.

(1) PB L 358 van 18.12.1986, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 230 van 16.9.2003, blz. 32).

HOOFDSTUK II

VERVOERMIDDELEN

1. Bepalingen voor vervoermiddelen in het algemeen

1.1. De vervoermiddelen, containers en toebehoren moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, en op zodanige wijze worden onderhouden en gebruikt dat:

  1. letsel en onnodig lijden van de dieren voorkomen wordt en hun veiligheid gegarandeerd is;

  2. zij de dieren bescherming bieden tegen slechte weersomstandigheden, extreme temperaturen en klimaatveranderingen;

  3. zij gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden;

  4. de dieren niet kunnen ontsnappen of eruit kunnen vallen, en zij de bewegingsbelasting kunnen weerstaan;

  5. steeds een aan de vervoerde diersoort aangepaste luchtkwaliteit en -hoeveelheid gewaarborgd is;

  6. de dieren toegankelijk zijn zodat ze gecontroleerd en verzorgd kunnen worden;

  7. zij voorzien zijn van een antislipvloer;

  8. het weglekken van urine en uitwerpselen tot een minimum beperkt is;

  9. voldoende verlichting aanwezig is om te dieren tijdens het vervoer te kunnen controleren en verzorgen.

1.2. In het dierencompartiment en op de verschillende laadvloeren dient voldoende ruimte te zijn om voor adequate ventilatie boven de dieren te zorgen wanneer deze in hun natuurlijke houding rechtop staan, zonder dat zij gehinderd worden in hun natuurlijke bewegingen.

1.3. -

1.4. Tussenschotten moeten sterk genoeg zijn om het gewicht van de dieren te weerstaan. De uitrusting moet zo ontworpen zijn dat zij snel en gemakkelijk kan worden bediend.

1.5. Lammeren lichter dan 20 kg moeten de beschikking hebben over passend strooisel of gelijkwaardig materiaal dat comfortabel is, en is afgestemd op de vervoerde diersoorten, het aantal vervoerde dieren, de transporttijd en de weersomstandigheden. Dat materiaal moet een adequate absorptie van de urine en de uitwerpselen garanderen.

2. Aanvullende bepalingen voor weg- en spoorvervoer

2.1. Voertuigen waarin dieren worden vervoerd, moeten op duidelijk zichtbare wijze voorzien zijn van een merkteken waaruit de aanwezigheid van levende dieren blijkt, tenzij de dieren worden vervoerd in containers die overeenkomstig punt 5.1 zijn gemerkt.

2.2. Wegvoertuigen moeten voorzien zijn van geschikte uitrusting voor het laden en lossen.

5. Aanvullende bepalingen voor het vervoer in containers

5.1. Containers waarin dieren worden vervoerd, moeten op duidelijk zichtbare wijze voorzien zijn van een merkteken waaruit de aanwezigheid van levende dieren blijkt, en van een teken ter aanduiding van de bovenkant van de container.

5.2. Tijdens het vervoer en de hantering moeten de containers steeds rechtop blijven, en moeten schokken en heftige stoten zo veel mogelijk worden vermeden. De containers moeten worden vastgezet om te voorkomen dat ze door de bewegingen van het vervoermiddel gaan schuiven.

5.3. Containers van meer dan 50 kg moeten voorzien zijn van een toereikend aantal adequaat ontworpen, goed geplaatste en goed onderhouden bevestigingspunten waarmee zij stevig aan het vervoermiddel waarop zij zullen worden geladen, kunnen worden vastgesjord. Containers moeten voor de aanvang van het transport aan het vervoermiddel worden vastgesjord zodat zij niet door de bewegingen van het vervoermiddel kunnen gaan schuiven.

HOOFDSTUK III

VERVOERMETHODEN

1. Laden, lossen en behandeling van de dieren

1.1. Er moet passende aandacht worden besteed aan de behoeften van bepaalde categorieën dieren, zoals wilde dieren, zodat zij vóór het voorgenomen transport aan de wijze van vervoer kunnen wennen.

1.2. Indien het laden of lossen meer dan vier uur duurt:

  1. moeten er passende voorzieningen aanwezig zijn waar de dieren zich, niet aangebonden, buiten het vervoermiddel kunnen ophouden, en kunnen eten en drinken;

  2. moeten de verrichtingen onder toezicht staan van een bevoegde dierenarts en moeten er bijzondere voorzorgen genomen worden om ervoor te zorgen dat het welzijn van de dieren tijdens deze verrichtingen op de juiste wijze wordt gehandhaafd.

Voorzieningen en procedures

1.3. De voorzieningen voor het laden en lossen, met inbegrip van de vloeren, moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, en op zodanige wijze worden onderhouden en gebruikt dat:

  1. tijdens de verplaatsing van de dieren letsel en lijden worden voorkomen en opwinding en stress tot een minimum worden beperkt, en dat de veiligheid van de dieren wordt gewaarborgd; zo mogen met name de vloeren niet glad zijn en moeten er beschuttende zijkanten aanwezig zijn om ontsnappen van de dieren te voorkomen;

  2. zij gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden.

1.4.

a) Laadbruggen mogen voor varkens, kalveren en paarden niet steiler zijn dan 20 graden, oftewel 36,4%, en voor schapen en runderen, kalveren uitgezonderd, niet steiler dan 26 graden 34 minuten, oftewel 50%.

Wanneer de hellingsgraad meer dan 10 graden is, oftewel 17,6 %, moet de laadbrug voorzien zijn van een systeem, bijv. dwarslatten, waardoor de dieren gemakkelijk en zonder risico of problemen het voertuig in en uit kunnen lopen.

b) Hefplatforms en verdiepingen moeten voorzien zijn van veiligheidshekken die voorkomen dat dieren er tijdens het laden of lossen af vallen of ontsnappen.

1.5. Goederen die in hetzelfde vervoermiddel als de dieren worden vervoerd, moeten op zodanige wijze worden verstuwd dat zij de dieren geen letsel, lijden of andere ongemakken berokkenen.

1.6. Tijdens het laden en lossen moet passende verlichting aanwezig zijn.

1.7. Wanneer containers met dieren op het vervoermiddel op elkaar worden gestapeld, moeten de nodige voorzorgen worden genomen om

  1. te voorkomen, of, in het geval van pluimvee, konijnen en pelsdieren, zoveel mogelijk te verhinderen, dat urine en uitwerpselen op de dieren eronder vallen;

  2. de stabiliteit van de containers te waarborgen;

  3. de ventilatie niet te belemmeren.

Behandeling

1.8. Het is verboden:

  1. de dieren te slaan of te schoppen;

  2. op een bijzonder gevoelig deel van het lichaam op zodanige wijze druk uit te oefenen dat het de dieren onnodige pijn of onnodig lijden berokkent;

  3. de dieren met mechanische middelen in een hangende positie te houden;

  4. de dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun onnodige pijn of onnodig lijden berokkent;

  5. prikstokken of andere puntige voorwerpen te gebruiken;

  6. opzettelijk dieren te hinderen die gedreven of geleid worden door een gedeelte waar doorstroming nodig is.

1.9. Het gebruik van apparaten waarmee elektrische schokken worden toegediend is verboden.

1.10. Markten of verzamelcentra dienen, zo nodig, voorzieningen te verstrekken voor het aanbinden van de dieren. Dieren die dit niet gewend zijn, mogen niet worden aangebonden. De dieren moeten toegang tot water hebben.

1.11. Dieren mogen in geen geval aan horens, gewei, neusringen of met samengebonden poten worden aangebonden.

Wanneer de dieren moeten worden aangebonden, moeten de gebruikte touwen, tuiers of andere middelen worden gebruikt:

  1. die zo sterk zijn dat ze onder normale vervoersomstandigheden niet breken;

  2. waarmee de dieren eventueel kunnen gaan liggen, eten en drinken;

  3. die zo ontworpen zijn dat ieder risico van wurging of verwonding is uitgesloten, en de dieren snel kunnen worden losgemaakt.

Scheiding

1.12. De volgende dieren worden gescheiden behandeld en vervoerd:

  1. dieren van verschillende soorten;

  2. dieren van beduidend verschillende grootte of leeftijd;

  3. -

  4. geslachtsrijpe mannelijke en vrouwelijke dieren;

  5. dieren met en dieren zonder horens;

  6. dieren die elkaar vijandig gezind zijn;

  7. aangebonden en niet-aangebonden dieren.

1.13. Het bepaalde in punt 1.12, onder a), b), c) en e), is niet van toepassing als de dieren in bij elkaar passende groepen zijn opgefokt of aan elkaar gewend zijn, als de scheiding leed veroorzaakt of als vrouwelijke dieren vergezeld gaan van jongen die van hen afhankelijk zijn.

2. Tijdens het vervoer

2.1. De beschikbare ruimte dient ten minste overeen te stemmen met de in hoofdstuk VII voor de desbetreffende dieren en vervoermiddelen vermelde waarden.

2.2. -

2.3. -

2.4. -

2.5. De punten 1.10 tot en met 1.13 zijn van overeenkomstige toepassing op het vervoermiddel.

2.6. Er moet voor voldoende ventilatie gezorgd worden zodat volledig aan de behoeften van de dieren wordt voldaan, met name rekening houdend met het aantal en het soort van de te vervoeren dieren en de verwachte weersomstandigheden tijdens het transport. Containers moeten zodanig worden gestuwd dat de ventilatie niet wordt belemmerd.

2.7. Tijdens het vervoer moeten de dieren met passende tussenpozen, en met name met inachtneming van de voorschriften in hoofdstuk V, gedrenkt en gevoederd worden en de gelegenheid krijgen om te rusten, op een wijze die bij hun soort en leeftijd past. Tenzij anders bepaald, moeten zoogdieren en vogels ten minste om de 24 uur gevoederd en ten minste om de 12 uur gedrenkt worden. Water en voeder moeten van goede kwaliteit zijn, en moeten de dieren op zodanige wijze worden aangeboden dat het risico van besmetting tot een minimum beperkt is. De nodige aandacht moet worden besteed aan het feit dat dieren aan de voeder- en drenkmethoden moeten wennen.

HOOFDSTUK VII

RUIMTE VOOR DE DIEREN

De ruimte waarover de dieren beschikken voldoet ten minste aan de volgende minima:

C. Schapen/geiten

Het grondoppervlakte kan variëren naar gelang van het ras, de grootte, fysieke conditie en vachtdikte van de dieren, alsmede van de weersomstandigheden en de transporttijd. Voor kleine lammeren kan bijvoorbeeld worden volstaan met minder dan 0,2 m2 per dier.

Wegvervoer

Categorie

Gewicht in kg

Oppervlakte in m2 per dier

Geschoren schapen en lammeren van 26 kg en meer

< 55

0,20 tot 0,30

 

> 55

> 0,30

Niet geschoren schapen

< 55

0,30 tot 0,40

 

> 55

> 0,40

Hoogdrachtige ooien

< 55

0,40 tot 0,50

 

> 55

> 0,50

Geiten

< 35

0,20 tot 0,30

 

35 tot 55

0,30 tot 0,40

 

> 55

0,40 tot 0,75

Hoogdrachtige geiten

< 55

0,40 tot 0,50

 

> 55

> 0,50